Van Zjang tot Jelle

‘Meneer, heb je ons poesje soms gezien?’ Een klein meisje van het tweede leerjaar trekt mijn aandacht in een hoekje van onze tuin. Ella, zo heet ons nieuwe buurmeisje, vertelt honderduit. Ze ziet er erg bezorgd uit. ‘Ja, we wonen hier nog maar pas en dan vindt het misschien de weg niet meer terug.’

Ik kan haar geruststellen met mijn ervaring van meer dan veertig jaar als buurtbewoner. Poesjes lopen in verschillende tuinen rond, maar uiteindelijk komen ze toch naar huis terug. Zo was het al ten tijde van onze vroegere buurman Zjang, die al enkele jaren overleden is. Hij wees ons in de winter de weg naar Tenerife, een verre droom die uiteindelijk toch uitkwam.

Ondertussen is de tuin grondig veranderd. Met heel veel trots toont Ella de vier nieuwe kippen die in een mooi hokje rondlopen. Haar vader Jelle, die vroeger nog Chiroleider was, is echt een handige harry. Het huis is helemaal opgeknapt en aangepast aan de wensen van een jong gezin. En de tuin vertoont opnieuw de tekens van spelende kinderen.

Zoals vorig weekend, de dag van de eerste communie. Ook Ella was erbij. De viering in de kerk op zondagmorgen was nog een jaar lang voorbereid door de school en de vrolijke liedjes lokten meer dan 500 mensen naar de kerk. In de toekomst zal daar verandering in komen en zal de parochie – in de persoon van gepensioneerde vrijwilligers – zowel ouders als kinderen moeten voorbereiden.

Maar wat niet veranderde, was de gezellige receptie achteraf op de speelplaats van de school. En dan natuurlijk het feest in de tuin. Een prachtige partytent had het gebeuren al enkele dagen aangekondigd. En op de dag zelf was natuurlijk ook een kleurrijk springkasteel van de partij.

Het gejoel van zingende kinderen tot laat in de avond deed mij terugdenken aan onze eigen grote kinderfeesten met grootouders en familie. Want een communiefeest hoort te verbinden. En meteen werd ook de cirkel van het leven overduidelijk: niets blijft bij het oude, maar de tijd lijkt wel te vliegen.

Jos

 

Opera of oratorium?

Ria en ik hebben niet de gewoonte om geregeld naar een opera te gaan. Het is een vrij apart muziekgenre en je moet er wat muzikale vorming voor gekregen hebben. Onze dochter Hilde, die in Berchem woont, doet dat wel, want zij heeft een abonnement.

Als verrassing had ik twee tickets besteld in de Antwerpse Stadsschouwburg voor de rock opera Jesus Christ Superstar. Het is nu enkele maanden geleden, maar die laatste week uit het leven van Jezus wordt in de Goede Week op verschillende manieren herdacht.

Door de eeuwen heen heeft die lijdensweek heel wat componisten geïnspireerd. Zo herinner ik me nog dat wij met onze vijf (toen nog kleine) kinderen in het Lemmensinstituut van Leuven een uitvoering bijwoonden van de Mattheuspassie van Bach. Het was geen sinecure om hen een paar uur stil en geconcentreerd te houden. Maar er was genoeg te horen en te zien in die prachtige aula en zij hebben er – zo hopen wij – iets van meegedragen.

Waarom de rock opera van Andrew Lloyd-Webber in Engelstalige versie? Voor mij was het een vorm van jeugdsentiment. Want ongeveer 40 jaar geleden had ik dit werk verschillende keren gehoord, toen wij met de leerlingen op Londenreis gingen. Voor die jongeren was dit toch wel erg toegankelijke muziek.

Ik was niet de enige, want rondom ons zaten nog verschillende oud-leraren die om dezelfde reden deze opera nog eens wilden meemaken. Voor Ria was het de eerste keer en echt een openbaring. Meer nog dan in Londen werden alle moderne middelen van decor, film, muziek gebruikt om het verhaal op te roepen. En nog steeds was de originele zanger Ted Neeley van de partij, die als 70-jarige van deze rol zijn levenswerk gemaakt heeft.

De klassieke nummers zoals I Don’t Know How to Love Him en Could We Start Again Please? blijven nog altijd de innige sfeer van die tijd, maar ook die van onze tijd oproepen. Op paasmorgen wekten wij onze kinderen met het majestatische Hallelujah van Händel. En dan was het tijd om paaseieren te rapen in de tuin.

Jos

Sterven en verrijzen

Mijn vader stierf enkele maanden geleden, voor onze kleine kinderen een bijzonder onvatbaar gebeuren. Althans dat dacht ik.

Bewust kozen we ervoor om hen er bij te betrekken, om hen te laten ervaren dat dit pijn doet, maar je er niet aan dood gaat en om te laten voelen dat sterven nu eenmaal deel van het leven is. Dus ze zijn mee gaan groeten, waarbij de kleinste meteen naar hem toeliep en hem zacht begon te aaien en de oudste met wat meer schrik van op een afstand toekeek. Tot hij zag hoe spontaan zijn zusje reageerde en ook hij een stapje dichterbij durfde te zetten.

Toen ik enkele weken geleden hen mee nam naar het graf vroeg de jongste van nog geen vier: ‘mama, wat komen we hier eigenlijk doen?’ Ik antwoordde: ‘maar schat toch, dat weet je toch. Peter Pros ligt hier begraven.’ Waarop zij prompt antwoordde: ‘hoezo, die is toch in de hemel?’

Nog nooit heb ik de Verrijzenis zo gevat horen uitleggen. Behalve dan in het Johannes-evangelie natuurlijk.

Ellen

Palmtakjes

Mijn 93-jarige vader heeft pijn in zijn rug. ‘Hij heeft gepalmd’, zegt mijn moeder ter verklaring. Het uitrekken en reiken naar elk kruisbeeld heeft iets geraakt in zijn rug. ‘Wie zal dat nog doen als wij er niet meer zijn?’ vraagt mijn moeder.

Wij dus. En ook sommige van onze kinderen. Want palmtakjes steken deden wij elk jaar. En in elke kamer probeerden we er een gebedje bij te formuleren. ‘Hier bidden we om veel samen te kunnen zitten’, zei ik in de woonkamer. De kinderen waren er snel mee weg. ‘Om lang in bad te kunnen zitten’. ‘Om heel lekker te eten.’ ‘Om zalig te slapen.’ ‘Om iedereen binnen te laten.’ Tot op zolder en in het kleinste kamertje hingen we palmtakjes. Een vrolijk ritueel. De takjes bleven een jaar lang hangen, tot ze helemaal vergeeld vervangen werden door verse groene.

Nu raken de kinderen vaak niet in de kerk op Palmzondag. Dan rekenen ze erop dat wij takjes voor hen meenemen. Die hangen zij dan in hun huizen. Ik neem ook een takje mee voor de buurvrouw, die niet goed weet of ze nog gelooft. Dat doe ik ook al jarenlang. Op mijn voorzichtige vraag of ze nog wel een takje wilde, antwoordde ze bevestigend: ‘Dat takje herinnert me eraan dat jij aan me denkt.’

Geloof is soms heerlijk concreet.

Kolet

Nog even

Onze oudste zoon Rune mocht vandaag 11 kaarsjes uitblazen. Als verjaardagsactiviteit gingen we met de familie badmintonnen. We organiseerden een tornooitje met een doorschuifsysteem zodat iedereen de kans had om tegen elk ander familielid te spelen. De oudste van de kinderen, Lucas van 12, speelt al enkele jaren in een badmintonclub. De mama’s en de papa’s moesten één voor één tegen hem het onderspit delven. Waar we de voorbije jaren ons niveau geduldig wat lieten ‘zakken’ om er een eerlijke match van de maken, was het nu andere koek.
Bij een drankje nadien bleken de papa’s onder de indruk te zijn. “Verdorie”, zei één van de papa’s, “ik kan tegen Lucas niet meer winnen. Dat had ik niet verwacht. Ik wil een tweede kans.” De volgende generatie staat klaar…

Bij de opruim ’s avonds opper ik om enkele speelgoedbakken niet meer terug te plaatsen. De kinderen halen hun schouders op: “Met die spulletjes spelen we toch niet veel meer.” Onze papa daarentegen zegt met een klein stemmetje: “Ik vind het zo gezellig als ze er nog een tijdje staan.”

De speelgoedbakken worden teruggezet. We hebben nipt gewonnen van Rune bij het badmintonnen. Nog even.

Sylvie

Stokjes en steentjes

Met kleinzoon aan de hand stap ik over de speelplaats naar mijn fiets. Het is een drukte van belang.
Opeens stopt kleinzoon abrupt en laat mijn hand los. Hij rent doelgericht een paar meter terug en bukt zich, in het midden van het gewoel. Met een triomfantelijke blik in zijn ogen holt hij weer naar mij.
In zijn hand houdt hij een krom stokje, waarmee hij vrolijk heen en weer zwaait.
‘Heb je een stokje gevonden?’ vraag ik overbodig. ‘Zullen we het in het mandje van de fiets leggen?’
Ik zie al visioenen van kleinzoon die van de fiets valt omdat hij zich maar met één hand kan vasthouden.
‘Dat is mijn pistool, oma’, verbetert hij me. Maar het mag in het mandje.
Uit zijn linkerzak haalt hij twee steentjes: een grijs en een bruin.
‘Voor jou!’ zegt hij gul. Ik stop ze in mijn zak.
’s Avonds als kleinzoon weer naar huis is, vind ik twee steentjes in mijn zak en een pistool in mijn fietsmandje. De wereld ligt vol schatten. Hoe komt het toch dat ik dat zo weinig zie?
Gelukkig krijg ik hulp van kleinzoon.

Kolet

100 jaar

Het gebeurt niet elke dag dat je op bezoek mag bij een honderdjarige. Tante Clara werd inderdaad in 1917, in de Eerste Wereldoorlog, geboren. In onze grote familie is zij de enige nog overblijvende tante en ik kan me niet herinneren dat we ooit al een eeuweling mochten vieren.

Zelf heb ik mijn grootouders nooit gekend. Mijn grootvader, zo werd me lang geleden verteld, is gestorven toen ik ongeveer drie maanden oud was. Het is vandaag meer dan ooit verwonderlijk en het stemt tot dankbaarheid dat onze kleinkinderen nog een hele tijd met ons groot kunnen worden.

Tante Clara verblijft nu in een rustoord en voor de receptie was de naaste familie uitgenodigd. Zij heeft 5 zonen en 1 dochter, die als jongste bij haar bleef inwonen, toen 25 jaar geleden nonkel Chiel overleed. Zij is een klein, maar taai vrouwtje geworden, dat van in haar ligzetel alles met heldere argusogen volgt.

‘Het binnenwerk is versleten,’ vertrouwt zij mij toe. Maar zij geniet zichtbaar van de aanwezigheid en de belangstelling. De meesten neven en nichten, van verschillende ‘struiken’, waren aanwezig. Het is leuker om elkaar in deze omstandigheden terug te zien dan bij een begrafenis, bijvoorbeeld.

De oudste zoon woont al 7 jaar in Turkije en Rob, die van mijn geboortejaar is, verblijft meer in Mexico dan in ons land. Het geeft wel een bijzondere band: wij zijn met 4 in het magische wijnjaar 1947 geboren. Twee van ons zijn al overleden. Met ons tweeën zullen we dit jaar dus 140 jaren tellen.

Ze vragen waar Ria is. Ik moet het hun even verduidelijken: ‘In de kerk is vandaag een gezinsviering gepland, waarin 8 kinderen van ongeveer 7 jaar gedoopt zullen worden. Dat is nodig, want anders kunnen ze binnenkort hun eerste communie niet doen.’ De priester vindt het maar niks: ‘Zijn het wel echt overtuigde christenen?’

Het is moeilijk om daar meteen een oordeel over te vellen. Honderd jaar geleden kon zoiets niet. De oude boerderij van tante Clara met de molen er vlakbij vertelt een heel ander verhaal.

Jos