Chan

‘Wist je al dat de Chinees overleden is?’
De uitbater van het Chinese restaurant was toch nog maar 63 jaar. Hij had zijn familiebedrijf kort geleden aan zijn zoon doorgegeven.

Hoe hij in ons dorp verzeild raakte, ligt al lang in het verleden. Hij had ook banden met Willebroek, waar zijn familie nog altijd een Chinees restaurant uitbaat. Het is vreemd soms hoe goed vreemdelingen zich in onze dorpsgemeenschap kunnen integreren.

Zijn twee kinderen zijn hier naar school geweest en helpen nu nog mee in de zaak. Maar of dit nog lang zal duren, is een andere vraag. Want zij hebben allebei gestudeerd en een leuke job. En het restaurant komt er dan vooral tijdens de weekends nog eens bovenop.

Chan was een beleefd en voornaam man. Hij was er altijd op uit om zijn trouwe klanten van harte te verwelkomen. Hij deed dit uiteraard met de ‘nummers’ van de Chinese gerechten, maar ook streekproducten, zoals asperges – tijdens het seizoen – stonden op het menu. Zij het dan op Chinese wijze.

Bij hem ontdekte ik ook de schotel ‘zeetong met oestersaus’. Die hebben wij jarenlang met smaak geproefd. Gewoonlijk kozen wij elke keer ons vaste gerecht met een fles huiswijn. Als geen ander kon hij die uitschenken, een beetje op beleefde afstand, maar toch altijd met zorg en belangstelling voor ons gezin en de kleinkinderen.

Zijn dochter had bij ons Mieke in de klas gezeten. En die band is nog niet helemaal voorbij. Meer dan eens konden wij met onze kinderen bij hem terecht, bijvoorbeeld voor het communiefeest van onze kleindochter Marie.

Ook de verenigingen en de jeugdbewegingen konden geregeld op zijn sponsoring rekenen. De laatste tijd had hij het wel eens over de crisis, maar zijn eetbonnen voor de tombola of de muziekquiz waren altijd erg gegeerd.

Ik ben hem nog even gaan groeten. Hij lag mooi opgebaard, als een waardige en een beetje ondoorgrondelijke ‘oosterling’. Ik weet niet tot welke godsdienst hij behoorde. Ik heb hem toch maar met wijwater een kruisje gegeven. En het voelde goed aan.

Jos

Feestboek

“Mama, zit je op feestboek?”, vraagt Jade van vijf.
Ik schiet in de lach.
“Het is Facebook, Jade”, zeg ik.

Toch blijft haar verspreking bij mij hangen. Ergens heeft ze gelijk. Als ik Facebook bekijk, zie ik vaak beelden van lachende gezichten, nieuwe kapsels, leuke uitstapjes, exotische vakanties of bijzondere momenten. Mijn doodgewone dagen met hun kleine akkefietjes verbleken bij een dergelijk charmeoffensief.  Het lijkt wel alsof die niet meer bestaan: dagen vol strijk, dagen met vuile voeten op de pas gepoetste vloer, platte fietsbanden, vervelende facturen en nog meer van dat.

Op Facebook is het elke dag feest. Of toch niet helemaal. Ook dramatische gebeurtenissen krijgen er hun plek. Mensen willen hun gevoelens delen naar aanleiding van feiten die hen raken.

En toch…het leven is vaak iets ‘tussenin’. Niet dramatisch en niet uitbundig. Meestal is het ‘gewoon’. Eigenlijk vind ik dat zelfs niet erg. Mag het leven af en toe ook niet gewoon een beetje saai zijn?

Wat kan ik mijn kleine meid dan antwoorden op haar vraag? Misschien zoiets:
Meisje, ik wens jou dat het leven elke dag een feest mag zijn. Maar dan eentje waarin je het feest kan zien in de kleine, gewone dingen. Feest omdat je de zon op je huid mag voelen. Feest bij het terugzien van een vriendinnetje. Feest omdat papa verse ijsjes heeft gemaakt.

En ook al is feestboek geen doorslag van het echte leven, er is wel het feest van elke doodgewone dag.

Sylvie

Wat is een mens?

‘Ik lust geen thee, want ik ben geen mens’, zegt mijn bijna driejarige kleinzoon beslist.
‘Nee?’ schrik ik. ‘Wat ben jij dan?’
Hij glimlacht me toe om zoveel onwetendheid. ‘Een brandweerman natuurlijk.’
Ik geef niet op. ‘Brandweermannen zijn ook mensen’, zeg ik. ‘Jij bent een kleine mens, maar wel een mens. Ik ben ook een mens, maar een groot mens.’
‘Ik ben ook al een beetje groot’, zegt hij. ‘Als ik drie ben, mag ik vooraan in de auto zitten. Achter het stuur!’
‘Dat mag pas later, als je achttien bent’, zucht ik.
‘Maar op de fiets mag ik wel achter het stuur zitten!’ zegt kleinzoon.
Ik heb sinds kort een voorzitje op mijn fiets en daar zit hij dolgraag op. Niet meer achter de brede rug van oma, maar vooraan, met vrij zicht op wat er komen gaat.
Hij klemt zijn handjes om het stuur en ik stap op. We rijden prinsheerlijk door de straten. Hij legt uit welke auto’s hij allemaal ziet: taxi’s, ziekenwagens, politieauto’s en lesauto’s van de rijschool. Het lijkt alsof ze speciaal voor ons allemaal komen langsrijden. Bovendien zijn er veel wegenwerken in de buurt, met graafmachines en drilboren. De pret kan niet op.
‘Yes, kasseitjes!’ roept hij luidkeels als er weer een strook kinderkopjes aankomt. En hij zingt ‘a-a-a-a’ om zijn stem te horen schokken bij het gedender als we over de kasseien fietsen.
Geluk is soms heel gewoon.

Kolet

Vakantiegroeten

Mijn gsm rinkelt. Het vrolijke gezicht van mijn dochter verschijnt op het schermpje. Maar die is met haar gezin op vakantie in Frankrijk. Ik stam nog uit de tijd dat je alleen uit het buitenland belde om dood en zware ziekte van nauwe familieleden te melden. Met trillende vingers duw ik op de ontvangknop. Maar ik heb me voor niets zorgen gemaakt. Ze willen gewoon even vertellen hoe het gaat. En mij trakteren op de stem van mijn kleinzoon. Waar heb je gespeeld? souffleert mijn dochter. Daar! hoor ik kleinzoon antwoorden. Pech voor mij dat ik niet kan zien waarheen zijn handje wijst. Ik heb konijntjes eten gegeven! vertelt hij enthousiast. En wat heb je nog gedaan? vraag ik. Kippetjes eten gegeven, gaat hij verder. Hij heeft het duidelijk naar zijn zin, daar in het exotische Frankrijk.

De andere kinderen appen kiekjes van hoge rotsen, van weidse zeeën en van verleidelijke terrasjes. Ze hebben het allemaal fijn. En ik ben dankbaar voor de draadjes die ze naar huis spannen. Zo hebben we allemaal onze kleine netwerkjes met de mensen die ons nauw aan het hart liggen. We krijgen mailtjes, Facebookberichtjes en zelfs een enkele ouderwetse postkaart. Contact houden was nog nooit zo eenvoudig.

En als ik dan zelf op vakantie een oude kerk binnenstap, brand ik een kaarsje voor mijn hele ‘netwerk’. Zo leg ik hen nog maar eens in de handen van God, die hen natuurlijk al lang stevig vasthoudt. Zo houd ik ook dat draadje van mijn netwerk met plezier in ere.

Kolet

Barbecue

Een zomervakantie mag dan wel twee maanden duren, vooral voor actieve onderwijsmensen, voor ons lopen de dagen zowat in elkaar. Met de kinderen en kleinkinderen proberen wij toch eens samen te komen, vooral om de studenten die het goed gedaan hebben een schouderklopje te geven en de anderen een riem onder het hart te steken.

Maar een geschikt moment vinden, waarop iedereen in het land is, valt echt niet mee. We moeten het meestal stellen met het grootst mogelijke aantal aanwezigen, want iedereen heeft zo zijn eigen vakantiedoel en –periode. En voor een barbecue moet je eigenlijk ook niet meer op ons zomerweer rekenen. Het moet meestal tussen de donderwolken door gebeuren.

Na de voorbereiding in de voormiddag, waarbij ik nog snel met de fiets wat bakharingen ga zoeken in het naburige dorp, druppelen de meesten een na een binnen. En dan wordt er bij het aperitief weer honderduit gebabbeld, over leuke momenten en over de droevige gebeurtenissen van het leven.

Maar toch vanuit de diepe ervaring dat we elkaar blijvend ondersteunen in goede en kwade dagen. Het is gewoonlijk mijn taak om vis en vlees naar ieders wens te braden. Het is trouwens de enige kookkunst die ik machtig ben.

Voor de kleintjes is er een smeuïge hamburger met een spekje er rond. Wie geen haring met ajuinsaus lust, heeft dan de keuze tussen een worstje, kalkoenfilet of een stukje biefstuk. Ondertussen loopt in de achtergrond de aankomst van een bergrit uit de Ronde van Frankrijk.

En dan worden weer plannen gesmeed voor onze volgende gezinsvakantie. Maar nu al blijken de Europese grenzen voor velen open te gaan: met de fiets naar Parijs, met de auto een rondrit door Oostenrijk, Italië wenkt en Nederland is er ook nog voor een dagje uit.

We mogen ook niet vergeten om een briefje te sturen aan de kinderen die met de KSA of de Roodkapjes op kamp zijn. En morgen komen de jongens – in uitgesteld relais – de finale van het WK voetbal bekijken. En natuurlijk had kleine profeet Naud op Portugal gewed.

Jos

Tranen

Mijn man leent mij regelmatig zijn grote zakdoek uit als we naar een film of een serie kijken op tv. Het is gênant, maar ik kan het niet tegenhouden: als ik verdriet op het scherm zie, gaan mijn sluizen open. Van de moeder van Bambi tot een vader die het lijkje van zijn dochtertje vindt, ik druppel erop los. Fictie of werkelijkheid, dat doet nauwelijks terzake. Voetballers die na een goal door het dolle heen op en over elkaar springen, een uitgeputte tennisster die vertelt over haar match, zelfs mensen die winnen in een quiz brengen me tot tranen.

In het echte leven is het overigens niet veel beter. Op de eerstecommunie-viering in mijn parochiekerk zit ik volledig misplaatst besmuikt te snotteren. Al die kleine blinkende mensjes met hun familie vind ik hartverscheurend! Zelfs voorwerpen kunnen me tot tranen brengen: een vergeten knikker in een jaszak, of nog erger, een eenzaam wantje op de stoep.

Het lijkt er trouwens op dat mijn kwaal erger wordt met de jaren. Alles roept van jaar tot jaar veel meer herinneringen op, dus word ik vanzelf nog weekhartiger. Niet dat ik er depressief van word, verre van. Na het snotteren voel ik me lekker opgelucht. Bevrijd van alles wat me bezwaart. De tranenstroom neemt al mijn afvalstoffen mee en ik kan er weer tegenaan.

Maar het meest ontroerende kunt u ook bekijken. Op dagen dat u het even niet meer ziet zitten met de mensheid. Het is een filmpje waarin wildvreemde mensen elkaar vier minuten lang in de ogen kijken. En wat er dan gebeurt, vind ik een groter wonder dan die van de meeste heiligen bij elkaar. De tranen stromen over mijn wangen. Want hoe vaak krijg je de kans om een stukje hemel op aarde te zien? Alleen als mensen elkaar van hart tot hart ontmoeten. https://www.youtube.com/watch?v=VuB6euiY2pw&feature=youtu.be

Kolet

Ik zie

Aan de ontbijttafel…

Jade (4j): “Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet”
Rune (10j) : “De nieuwe bloemen in de vaas”
Imre (8j): “Mijn mannetje in plasticine”
Jade: “Nee, het is Jezus!”

Imre: “Dommeke, Jezus kan je toch niet zien. Die is allang dood.”
Ik: “Is Jezus dan helemaal weg?”
Rune: “Nee, hij woont in ons hart.”
Imre: “Dode mensen wonen toch niet in je hart?”
Ik: “Mensen die gestorven zijn, voel ik soms nog heel dicht bij mij. En dan zeg ik dat ze in mijn hart wonen. Dan wil ik zelfs dingen gaan doen die zij vroeger ook gedaan hebben.”
Imre: “Ah ja, da’s waar. Of we denken er aan, in ons hoofd. Dan wonen ze in onze gedachten.”

Rune: “Dan is het … ik voel, ik voel, wat jij niet voelt.”
Imre: “Of…ik denk, ik denk, wat jij niet denkt.
Mag ik nog een boterham met choco?”
 

 

Sylvie