Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

We zitten in het park even uit te puffen na een spannend spelletje pétanque. Opeens wijst kleinzoon naar de grond onder een struik. ‘Zit daar een spookje?’
Ik had de witte vlek ook al opgemerkt in de rand van mijn blikveld, maar hem automatisch gecatalogiseerd als zwerfvuil: een weggewaaide witte plastic zak, die onder de struik is blijven hangen.
‘Wie weet’, zeg ik. ‘Wat zou zo’n spookje daar wel doen?’
‘Misschien is het een zomerspookje dat zijn winterslaap doet’, bedenkt kleinzoon. ‘Dan moet hij uitkijken voor winterspookjes, want die zijn er nu veel.’
‘O ja?’ lach ik. ‘En doen die winterspookjes dan geen winterslaap?’
‘Natuurlijk niet’, zegt kleinzoon zeker van zijn stuk, ‘die doen alleen een zomerslaap.
‘En wanneer worden de winterspookjes afgelost door de zomerspookjes?’ vraag ik.
‘Op 21 maart natuurlijk’, zegt kleinzoon. Hij heeft net een project over de seizoenen achter de rug op school. ‘Maar soms vergissen ze zich een paar dagen en dan wordt het spannend.’

Hij knabbelt verder aan zijn rozijntjes en ik aan mijn appel.
Even bekruipt me de neiging om onder de struik te gaan checken wat dat witte ding precies is. Maar ik doe het niet.
Want het is veel te zalig om samen met kleinzoon te kijken naar iets wat er misschien niet is. Of misschien wel.

Kolet

Adem

Ik loop met onze kinderen naast een beekje boordevol water. Het water stroomt en stroomt. Mijn hoofd zit boordevol gedachten. Ze stromen en stromen. Oefenen wil ik om middenin de stroom innerlijke vrede te zoeken. Ik kijk naar de kinderen. Ik adem en voel de wind. Ik denk aan de mensen van mijn werk en aan wat ik ga maken deze avond. Mijn schoenen zijn een beetje vuil geworden. Ik kijk opnieuw naar het water. Ik adem. Het leven is alledaags en wonderlijk tegelijk. Hij weet dat we gemaakt zijn uit het stof van de aarde.

Ruth

Uitvaart

‘Het was een hele mooie viering. Dat heb je goed gedaan.’ Ernaast prijkt een hartje in bloedrode kleur. Naud van dertien is er altijd als de kippen bij om via WhatsApp commentaar te geven of te reageren op belangrijke gebeurtenissen.

De viering slaat op de uitvaartliturgie van mijn zus Adeline, jarenlang juf in het eerste leerjaar. Zij was net 81 jaar geworden. De laatste maanden was zij aan het sukkelen met haar gezondheid. Zij was nogal bang van dokters, vooral van het oordeel dat die zouden vellen. En zo heeft zij wellicht te lang gewacht om op bepaalde signalen van haar lichaam te reageren.

Met oudejaarsavond was zij nog bij ons aan huis geweest. Het ging langzaam, met heel wat hulp en ondersteuning. Zij heeft toch nog genoten van de feestmaaltijd. Zij was voor onze kinderen de tante die geen enkele verjaardag vergat. Zij kende die meestal uit het hoofd. En de kaartjes – met een pakje erbij – lagen al dagen op voorhand klaar.

En toch overvalt een dergelijk gebeuren je plotsklaps. Op minder dan twee dagen tijd is die zorgzame vrouw verdwenen. Nog in twee ziekenhuizen terechtgekomen. Maar de ziekte en de complicaties waren al te ver gevorderd.

Om de kinderen, kleinkinderen, broers en zussen de kans te geven om er in de kerk toch bij te zijn – slechts 15 aanwezigen toegelaten – had ik voorgesteld om voor te gaan. Mijn vormingscursus als voorganger in de uitvaartliturgie zat er bijna op, want tien dagen later zou ik de aanstelling krijgen uit de handen van onze hulpbisschop Koen.

Zo waren wij precies in orde, want twee nichtjes wilden graag een paar liederen zingen. De uitvaart werd gestreamd en daar hebben meer dan 100 gezinnen dankbaar gebruik van gemaakt om toch op die manier afscheid te kunnen nemen van haar als collega en vrijwilliger in talrijke verenigingen.

Ik zag die viering een beetje als mijn ‘examen’, voor ik wellicht ‘mijn laatste diploma’ zou behalen. Dan ben je niet alleen broer, maar ook vertegenwoordiger van de geloofsgemeenschap. En dat helpt.

Jos

Kampvuur in coronatijden

‘Het meest kostbare geschenk
dat we iemand kunnen geven
is onze aanwezigheid.”
(Thich Nhat Hanh)

Met ons gezin staan we uren rond het kampvuur, te gast bij een vriend. Het regent nu en dan. De kinderen lijken de kou niet te voelen. Ze zijn in de ban van het vuur en van het bos rondom ons. Ik besef hoe het vuur me troost, hoewel ik zelfs mijn verdriet vergeten was. Onze gesprekken gaan naar de kern. Het vuur inspireert me om opnieuw aan te sluiten bij goede gewoontes die ik heb laten verkommeren. Dat laatste is niet erg. Ik kan altijd opnieuw beginnen. Ik voel de drive om er te zijn voor de mensen rondom mij. Daarom ga ik eerst en vooral goed voor mezelf proberen te zorgen.
Bemin je naaste als jezelf!   

Ruth

Nooit meer bang

Onze dochter kreeg onlangs haar rapport. Uit een van de opmerkingen van de juf blijkt dat genuanceerd denken en zich kunnen inleven in diverse argumenten pro en contra bij een stellingenspel haar goed afgaat. „Ah ja, dat stellingenspel, dat herinner ik me nog”, zegt haar oudere broer die op de achtergrond meeluistert. „Of je wilt weten wanneer je doodgaat?” 

Verbaasd kijk ik op. „En? Wil jij weten wanneer je doodgaat?” „Tuurlijk”, zegt hij. „Dan weet ik tenminste hoeveel tijd ik nog heb om alles te doen wat ik wil.” „En wat wil je dan nog allemaal doen?”, vraag ik geamuseerd. „O gewoon, van alles…” 

Even is het stil. „Je zou het ook kunnen omdraaien”, zeg ik. „Als ik zou weten wanneer ik doodga, zou ik net gevoel hebben geen tijd genoeg meer te hebben en de dood voortdurend als een donkere wolk dichterbij zien komen. Ik weet het eigenlijk liever niet. Nu kan ik elke dag ten volle beleven.”

Zoonlief kijkt me bedachtzaam aan. „Maar mama, ik ben helemaal niet bang voor de dood, want als we dood zijn, zijn we voor altijd bij God. Iets mooiers kun je je toch niet wensen.”

Opnieuw ben ik verbaasd. „Dat is inderdaad een mooi vooruitzicht”, lach ik blij verrast. „Ik wist niet dat je er zo over dacht.”

„Ik zie het zo”, zegt hij. „We zijn hier op aarde op stage. Om te oefenen voor als we bij God zijn.”

Ik kan niet anders dan zijn overtuiging beamen. „Inderdaad, ons aardse leven is slechts tijdelijk. We kunnen maar zo goed mogelijk ons best doen. Dat zal God fijn vinden.”

„Dus mama, nu weet je het: doodgaan is niet erg! En kijken we nu televisie?” 

Liselotte

Pakjes

‘Dit is het spannendste geschenk, dat je in je leven al gekregen hebt,’ vertel ik aan Janne van bijna 15 als ‘cryptische omschrijving’. Zij was mijn ‘mystery guest’ tijdens de online trekking van de nieuwjaarscadeautjes. Op voorhand waren de pakjes al veilig thuis geleverd.

Op deze doordeweekse woensdagnamiddag hebben de kinderen een zoomsessie georganiseerd om heel wat raadsels te onthullen. Vorige jaren gebeurde dit met hapjes en drankjes en een wandeling kort na Nieuwjaar. Maar ondertussen hebben wij de knepen van de virtuele communicatie al aardig onder de knie.

Een voor een hadden wij in de voorbije maanden onze kinderen in een kleine bubbel thuis ontvangen om hun verjaardag van het afgelopen jaar te vieren. Het was meteen ook een gelegenheid om via een lekkere afhaalmaaltijd de plaatselijke horeca wat te ondersteunen.

Ook deze namiddag maakte ik eerst een kleine wandeling met ons Mieke en Lut van 13. Zij had enkele belangrijke vragen voor mij. Al kuierend door het veld zijn wij op vijf minuten bij de nieuwe begraafplaats, die pas enkele maanden in gebruik is.
Zij wilde weten of ik veel pijn had, maar ik kon haar geruststellen met de boodschap dat de dokters tevreden zijn, omdat mijn toestand stabiel is. En dat wij dit hopelijk nog lang zo mogen houden.
En zo komen wij voorbij de assenweide en de waterurn, waarin de as aan de aarde toevertrouwd wordt. Wat verderop zien wij de eenvormige grafstenen, zowel voor de begrafenis van een kist als van een urne. En nog verder staat de muur voor het opbergen van de urnen tussen een aantal druivenstokken.
Het is een rustgevende plek, te midden van het park rond het Fort van Liezele. Ik wijs haar een paar grafplaatjes aan van mensen voor wie ik mocht voorgaan in de uitvaartliturgie van de laatste maanden. Lut zelf heeft uiteraard haar keuze van begraven nog niet gemaakt. ‘Voor mijzelf heb ik al een idee,’ vertel ik haar.

Wij zijn op tijd terug thuis voor het zoomen. Na veel giswerk kent Janne haar geheim: een legging.

Jos

Sneeuw

We wachten op sneeuw. Al dagen wachten we op sneeuw. Verwachtingsvol bekijken we dagelijks het weerbericht en zeggen we: ‘mja, 30 procent kans… misschien morgen!’ Elke avond wordt zorgvuldig gecheckt of de sneeuwbotten en de handschoenen nog bij elkaar liggen.

De natuur houdt echter weinig rekening met onze hoopvolle verzuchtingen en de dagen rijgen zich sneeuwloos aan elkaar… Langzamerhand neemt de frustratie toe en het vertrouwen in de weergoden af. De beelden van sleeënde kinderen in de Ardennen steken de kinderen de ogen uit.  We zijn het allemaal zo langzamerhand beu dat er zoveel dingen zijn waar we zelf geen vat op lijken te hebben, dat ik het baalgevoel van de kinderen maar al te goed begrijp.

Alle sprankeltjes hoop op een maagdelijk wit tapijt werden vanochtend door de jongste dochter genadeloos de kop ingeduwd. Terwijl ik haar boekentas in de koffer zwier, blijft ze staan drentelen langs de auto. Ik wil haar net aanmanen om voort te maken en in de auto te stappen, wanneer ze een diepe zucht slaakt. ‘Het gaat niet meer sneeuwen, mama, de lente is begonnen.’ Terwijl ze het zegt, vormt haar adem volmaakte wolkjes in de vrieskou. Ik sla een blik op de dichtgevroren auto voor me en de grijze nevel die onze oprit deze ochtend in een grauwe mist omhult. ‘Hoezo, de lente is begonnen?, vraag ik haar lichtjes geërgerd, terwijl ik op haar toeloop.

En dan zie ik waar ze al een poosje ingespannen naar tuurt. Minstens 50 dappere, dunne groene sprieten duwen zich doorheen de aarde een weg naar de lucht. Een weg naar het licht. Het zijn krokusjes in wording.

Het beeld van die dappere sprietjes die de bevroren aarde trotseren, ontroert me mateloos. Het is het meest hoopvolle dat ik de afgelopen dagen gezien heb. Misschien kunnen we de sneeuw inderdaad maar best vergeten, net zoals zoveel andere dingen. Maar dat het straks weer lente wordt, dat staat vast. En dat? Dàt is pas iets om hoopvol naar uit te kijken!

Liesbeth

Minister

We hebben het over ministers en wat ze allemaal moeten doen. Kleinzoon krijgt beetje bij beetje vat op de grotemensenwereld.
‘Wil jij later geen minister worden?’ vraag ik hem.
Kleinzoon schiet in de lach. ‘Dat gaat toch niet, oma’, zegt hij. ‘Ik peuter te veel in mijn neus! En als je in de regering zit, moet je heel beleefd zijn.’
‘Kun je niet gewoon stoppen met neuspeuteren?’ vraag ik hem.
Hij lacht meewarig. Nu al is hij zich goed bewust van het feit dat er dingen zijn die je niet kunt veranderen. Die je krachten te boven gaan, ondanks alle goede voornemens.

In de ogen van mijn kleinzoon kun je pas minister worden als je heel beleefd bent. Ik hoop dat hij die overtuiging nog lang mag behouden. En dat er binnenkort geen minister is die in zijn of haar neus peutert, of erger.
Beleefd zijn is het eerste stapje in naastenliefde. Want je stelt je heel even voor hoe iets op iemand anders overkomt. En dan is er veel goeds mogelijk.
‘Superlekkere pannenkoeken, oma!’ zegt kleinzoon. Volgens mij wordt hij ooit nog minister 😉

Kolet

Licht

‘Het is heel erg, mama, hij heeft kanker!’ Het lelijke K-woord blijft even zwaar in de auto hangen, voor ik durf te reageren. In de achteruitkijkspiegel zoeken mijn ogen de bezorgde blik van mijn dochter. Ze heeft net te horen gekregen dat een schoolvriendje een paar dagen later zal geopereerd worden aan een hersentumor. Een boodschap die wij als ouders ook een half uur daarvoor via mail te lezen kregen en die nu mijn hart in een pijnlijke houdgreep samenknijpt.

‘We hebben al van alles gedaan,’ vervolgt mijn meisje dapper, ‘een filmpje opgenomen, kaartjes geschreven en tekeningen gemaakt. Die gaan naar het ziekenhuis.’ ‘Dat is al héél fijn,’ knik ik bevestigend, ‘en misschien moeten we zo dadelijk thuis maar een kaarsje branden voor hem.’

‘Een kaarsje? Dat branden we toch alleen maar als er iemand dood is?’ Mijn nuchtere zoon moeit zich nu ook met het gesprek en denkt ongetwijfeld aan de talloze keren dat we een kaarsje aanstaken naast de foto van zijn overleden oma. ‘Nee hoor,’ spreek ik hem tegen ‘je kan ook een kaarsje branden als je voelt dat iemand kracht en moed nodig heeft. Als je verdrietig of bang bent en het donker voelt in je hart, is het wel fijn als iemand voor jou een lichtje brandt.’

‘Ah ja, zo…’, reageren mijn kinderen simultaan. De rest van de rit kijken ze peinzend naar buiten.

Thuisgekomen steken we meteen de grootste kaars aan die we kunnen vinden. En ook in de daaropvolgende dagen worden er kaarsen aangestoken. Soms wel drie tegelijkertijd. Want we kunnen samen veel mensen bedenken die angstig, verdrietig of alleen zijn. En die hopelijk voelen dat we hen in het donker met heel ons hart wat licht opsturen.

Liesbeth

Lichthappers

We zitten in een kring op de grond: vijf zesjarigen en ik. We hebben net samen geluisterd naar het Godly Play kerstverhaal en genieten nu van het licht van de profeten, de heilige Familie, de herders en engelen, de koningen en Christus.
Dan wordt het tijd om het licht te ‘veranderen’. Met de kaarsendover worden de lichten één voor één ‘veranderd’: “Het licht wordt dunner en ijler, tot je het niet meer kunt zien, maar dat betekent niet dat het er niet meer is, dat betekent alleen maar dat je het niet meer kunt zien.”
Geen kind dat hier een vraagteken bij plaatst. Geen kind dat zegt: ‘Je hebt de kaars gedoofd, het licht is weg.’ Nee, ze ruiken en ‘zien’ het licht en proberen het zelfs te proeven. De hele advent hebben we al paarse en roze lichten veranderd. Maar deze keer is er protest wanneer ik bij de witte Christuskaars kom.
‘De witte kaars moet altijd blijven branden!’ zegt een meisje beslist.
‘Ze blijft altijd branden in jouw hart’, geef ik het correcte antwoord – en zie meteen aan hun gezichten hoe fout het is. Dit antwoord uit de taal van volwassenen is niet hun antwoord.
‘Ik vraag me af hoe we het licht altijd kunnen laten branden’, verbeter ik mezelf, en zeg verder niets meer. De stilte is diep, met alleen maar dat laatste, dansende vlammetje.
‘Als we het licht veranderen, blijft het in de klas’, denkt een jongen hardop. ‘Ik wil het meenemen naar huis.’
‘Maar hoe dan?’ vraag ik, en ik voel me even Nicodemus. Hoe kun je onzichtbaar licht mee naar huis nemen? Het is al net zo gek als opnieuw geboren worden. Maar de kinderen weten de weg.
‘We kunnen het opeten!’ zegt een meisje.
‘Dat zullen we doen’, knik ik, ‘Zal ik het nu veranderen?’
Daar zitten we dan, 6 lichthappers in het schemerdonker. Spel en diepe ernst omhelzen elkaar.
Maar het is niet genoeg.
‘Ik wil het niet alleen in mijn mond, ik wil het ook in mijn buik’, zegt een jongen.
‘En hoe moet dat dan?’ vraagt Nicodemus in mij.
‘Makkie’, lacht de jongen, ‘langs mijn navel!’
En daar gaan alle truitjes tien centimeter omhoog – deze keer doe ik niet mee. Een brug te ver voor die oude schriftgeleerde.
Maar mijn ogen drinken, mijn hart wordt verzadigd, mijn hoofd zit vol licht.
En ergens wordt een Kind geboren.
Wat toen gebeurde, is ook nu.

Katie