Een dochter erbij

Een gewoon dagdagelijks gezin zijn wij, met twee volwassen zonen, met elk een flinke vriendin. Twee zonen die heel lief zijn maar die niet zo goed zijn in ‘verwoorden van’ …

Een maand geleden huwde onze jongste zoon Tom met Kim, het meisje dat hier al jaren aan huis komt. Zaterdagmiddag waren ze bij ons op visite om een stukje pizza te eten. En er werd gebabbeld en gebabbeld! Heel leuk en gezellig.
Tussen haakjes: In zijn trouwbelofte verwerkte onze zoon Tom dat hij het babbelen van
Kim er graag bijnam! Hihi.

En Tom was nu toch wel heel goed op dreef in een serieus gesprek met mij, zijn ma.
Tot mijn grote verbazing.
Toch wilde Kim er opnieuw wat tussen wringen.
Tom, wat geïrriteerd, maakte haar duidelijk: “Ik ben nu wel eens aan het babbelen met mijn ma!!!”
Waarop mijn schoondochter Kim, zonder nadenken, antwoordde: “Ze is nu ook wel mijn ma, hé!”

Het werd zo stil in onze drukke keuken. Een heerlijk, warm gevoel stroomde door me heen! Ik was door het huwelijk mijn zoon niet kwijt. Ik had er een dochter bij. Dat was hier heel duidelijk.

Dit vergeet ik mijn hele leven niet!

Marleen

Leven in overvloed

Een retraite voor religieuzen. ’s Middags genieten ze in de cafetaria van een warme maaltijd. Zelf zit ik aan een afzonderlijke tafel ergens in een hoek. Muziek op de achtergrond creëert een gezellige sfeer. Ik observeer het gebeuren.

Na de maaltijd staat iedereen recht voor een afsluitend gebed. Ik bid eerbiedig mee. Het gebed bestaat uit slechts een paar zinnen. Het is een dankzegging voor de maaltijd. Eenvoudiger kan het geniet en toch is het precies in die eenvoud o zo mooi. Het is niet de eerste keer dat ik dit meemaak, verre van. Maar dit keer bezorgt het moment me kippenvel…

Die zelfde ochtend las ik in de campagnekrant van Missio over Burkina Faso, een van de armste landen ter wereld. De bevolking probeert er vooral om te over-leven. Dagelijks drie maaltijden en vaak ook nog enkele tussendoortjes zijn voor de meesten onder ons een vanzelfsprekendheid. Voor hen en vele anderen overal ter wereld, helaas ook bij ons, is het dat allesbehalve.

Wellicht daarom raakte me dat eenvoudige dankgebed die dag zo diep. Wat maken we ons soms zorgen over wat we zullen eten, en wanneer precies, en over hoeveel we nodig hebben, en of we niet te weinig zullen hebben … Het doet er eigenlijk allemaal niet toe. We hebben meer dan genoeg. Voortaan besef ik nog meer dat elke maaltijd een geschenk is. En ik denk bij mezelf: „Moge het een uitnodiging zijn om Overvloedig te Leven, niet in de zin van veelvuldig consumeren, maar in diepe dankbaarheid. En laten we, waar en wanneer we kunnen, anderen in dat besef en in onze overvloed delen. Dan zal er Leven in Overvloed zijn voor iedereen.”

Liselotte

 

Kwadraat

Lang geleden heb ik de wiskunde opgegeven: ik snapte niks van het vermenigvuldigen van breuken, van vergelijkingen met te veel onbekenden of van vierkantswortels. Ik deed gewoon alsof en vulde formules in zonder te weten waarover het ging. Ik heb zelfs lang gedacht dat wiskunde gewoon nergens op sloeg, dat het een spelletje was waarmee rare mensen de verveling bestreden. Maar de geboorte van mijn kleinzoon heeft vele effecten. Zo begrijp ik opeens precies wat een kwadraat is. Meer nog: ik voel het tot diep in mijn ingewanden.

Want als mijn dochter haar zoontje een kus geeft, zie ik een kus in het kwadraat. De kussen die wij  ooit aan onze kinderen gaven, hebben zich met zichzelf vermenigvuldigd en werken nu met grotere toverkracht dan ooit tevoren. Nooit was wiskunde zo mooi.

Kolet

Toch goed gespeeld, vake!

Onze jongste kleinzoon, Naud, is nog altijd maar vijf. Hij is pas begonnen aan het eerste leerjaar en kan dus nog niet zoveel lezen. Hij nodigt me te pas en te onpas uit om Stratego te spelen. Met de andere kleinkinderen heb ik al wel eens Monopolie gespeeld en dat ligt wat beter in mijn aard. Van Stratego heb ik nog niet veel begrepen. Het is in elk geval een spel waarbij het ene leger de vlag van het andere moet vinden. Je hebt allerlei hinderlagen in de vorm van bommen die enkel door een mineur onschadelijk gemaakt kunnen worden. Er is ook een rangorde bij de soldaten.

Dat is wellicht mijn nadeel, want ik ben zelf nooit in het leger geweest. Wel heb ik mijn drie dagen gedaan in het Klein Kasteeltje in Brussel, maar daarna werd ik als kostwinner van het gezin vrijgesteld van militaire dienst. Het is mij een raadsel hoe die kleine schavuit mij telkens weet te kloppen. Ik probeer zo goed mogelijk mijn vlag te verbergen en te omringen met bommen.

Maar van bij het begin zegt hij met stellige zekerheid dat hij mijn vlag al weet staan. En meestal is dat nog juist ook. Hij kan de namen van de verschillende graden nog niet lezen, maar hij kent wel hun code en rangorde. Als ik dan naar een van de soldaten verwijs met ‘de snor’ in plaats van zijn echte naam ‘majoor’, barst hij in een schaterlach uit.

Onlangs heeft hij mij zelfs uitgedaagd om de moeilijkere versie van het spel te spelen. Want er bestaan blijkbaar gradaties. Daar ben ik nog helemaal niet aan toe. Ik begrijp wel dat er een zekere strategie nodig is om de verschillende waarden van de soldaten goed op te stellen en uit te spelen. Maar hoe zo een klein ventje van vijf met veel inzicht zijn pionnen op het slagveld weet uit te stallen, gaat mijn petje te boven. Veel oefening met zijn broer wellicht.

Ik heb er al mee gedreigd om niet langer met hem te spelen, want ik verlies toch altijd. Maar dan geeft hij mij een bemoedigend schouderklopje: ‘Toch goed gespeeld, vake!’ Wellicht wil hij zijn kansen op succes gaaf houden.

Jos

Zondagmorgen

Zondagmorgen. We gaan naar de kerk vertrekken. Dochter van vier: ‘Mama, ik wil maar een halve mis kijken’.

Die paar woorden zeggen veel over haar perceptie. ‘Het duurt te lang’ (want ze begrijpt er niet veel van en weet dat het niet op kinderen gericht is, zoals bijvoorbeeld een toneelvoorstelling op haar maat wel is) en ‘het is kijken’ (en niet zozeer doen).

Toen ze bijna twee was, luidde haar omschrijving van de ‘mis’: ‘amen doen’, en een beetje later ‘dan moet ik stil zitten’ (wat toen nog heel moeilijk was).

Soms is naar de kerk gaan ook heel leuk, vooral wanneer er nadien een receptie is, wanneer er klasgenootjes zijn of wanneer er iets speciaals voor kinderen is.

Maar toch… nemen we haar maar mee, en wanneer het kan de kleine broer ook. Al is dat niet de eenvoudigste optie, niet voor de kinderen, niet voor de ouders, niet voor de kerkgemeenschap. Maar het is wel de beste, denk ik telkens – voor ons allemaal: ik ben als mama op de kinderen betrokken, op die manier niet enkel aan het ‘kijken’, maar ook actief aan het zorgen en zo iets van het geloof ook werkelijk in de praktijk aan het brengen; de kinderen ervaren wat kerk, bidden en liturgie is, en vooral: de gemeenschap die op zondag verzamelt, wordt er toch een klein beetje ‘diverser’ door: niemand kan naast de kinderen kijken.

Ook andere volwassenen kunnen het zorgen in de praktijk brengen. Toen onze dochter klein was, ging ze vaak op de schoot bij anderen zitten, bijvoorbeeld, en de lach van de kinderen maakt het samen zijn voor heel wat mensen ook aangenaam. En … kinderen die aanwezig zijn in de zondagse vieringen, zijn een levend teken van een kerk die wil zijn wat ze zegt te zijn: open voor iedereen, tonend dat het vieren van Gods liefde niet enkel iets ‘ernstigs’ is voor ‘grote mensen’.

Maar het is niet altijd makkelijk.

Annemie