Zuur

Je weet hoe dat gaat, met kinderen in grootwarenhuizen. Als ze met mij meegaan, zijn die twee van ons behoorlijk gedrild. Zeker als ik het vergelijk met de grootwarenhuisdrama’s die sommige collega mama’s en papa’s moeten ondergaan. Niet zelden lijken onze kinderen op ongeleide projectielen, maar niet daar. De jongste ín de kar en de oudste op en af springend aan of rond de kar. Het is zelden storend. Meestal passeren we ook vlekkeloos anderen.

Maar dus een zeldzame keer ook niet. Zoals nu. De oudste hangt aan de voorkant van de kar, creëert haar eigen wereldje waarin ze ook af en toe van het voertuig loskomt. Terwijl ik groente pak gebeurt er niets, maar eens terug aan de gang verandert ze vooraan in opzij, net op het moment dat een vrouw bedenkt dat ze niet achter, maar naast haar karretje zal gaan staan om ik-weet-niet-wat te doen. Het gevolg zijn schurende achterwerken en – terwijl ik mijn dochter terechtwijs – ook onnodig striemende bemerkingen en hautaine blikken van de oma. Zelfs mijn excuses aan haar adres kaatsen af op de koudheid van haar zijn.

Ik kan er niet aan doen, het valt me op. De onverdraagzaamheid ook van een deel van die generatie naar kinderen toe. Terwijl dat dezelfde generatie is die vaak voluit bijspringt in de opvang van de kleinkinderen. Misschien zijn het zelfs de opa’s en oma’s van de tierende, brullende kinderen in de supermarkt. Maar dat ze per ongeluk geraakt worden door een spelend ander kind, dat behoort tot het onaanvaardbare. Hoe goed ze ook zijn in eigen kleine kring, ze verzuren wel eens als de deuren van de bredere wereld opengaan. Dan verkrampen ze en aanvaarden van anderen maar een fractie van wat ze van zichzelf en hun omgeving accepteren. Het zijn wijze lessen, want zelfs op winkelmomenten word ik zo voluit geconfronteerd met wie ik nooit wil worden.

Wim

Een mondje vol tanden

‘En weet je de weg ernaartoe?’
‘Op het einde ken ik de straten wel.’

Marie, onze oudste kleindochter, wordt in april 12 jaar. Zij is al lang geen kind meer. Al vier jaar heeft ze wat beugels en ijzerwaren in haar mondje, want dat is blijkbaar te klein om al haar tanden een plaats te geven. We rijden naar Strombeek voor een consultatie.

‘Dan zal ik de gps maar inschakelen.’
Dat kan ik ook wel,’ zegt ze kordaat.

En voor ik even uitleg kan geven, is ze al aan het puzzelen met het toestel. Ikzelf had daar in het begin heel wat last mee om de juiste straatnaam te vinden. Maar voor haar is dat geen probleem. De kinderen van vandaag gebruiken dergelijke spullen ook al in de klas, denk ik.

‘Zo, alles in orde! Nu zul je de weg wel vinden.’

Ik zeg nog niet dat ik een speciaal cadeautje heb voor haar verjaardag. Bovendien is zij mijn petekind. Ik heb een kleine tablet op de kop kunnen tikken, die zij zelfs mee naar school kan nemen, als dat uiteraard mag. Het moet nog even een verrassing blijven.

‘Hoe was het op de sneeuwklassen in de Alpen?’
‘Prima, ik kan toch al goed mijn plan trekken. Alleen was het soms een beetje koud in de bergen.’

‘Moet je binnenkort weer solo zingen in de gezinsviering met Pasen?
‘Ja, ik hoop van wel. Met Kerstmis was er een meisje dat niet goed durfde en dan mocht ik invallen. Het is leuk om in de kerk met het kinderkoor te zingen.’

We komen in Strombeek aan, net op tijd voor de afspraak. Marie moet eerst even haar tanden poetsen. En dan worden de ijzertjes vervangen en zo wordt het mondje weer wat ruimer gemaakt. Voor de vrouwelijke orthodontist is het kinderspel. Met haar assistente lijkt het wel ‘bandwerk’.

Marie mag de kleur van de blokjes kiezen.
‘Doe maar blauw deze keer,’ zegt ze.
Ze leeft op goede hoop: volgend keer in juni is misschien de laatste. En na een uur mag ze bij ons een zacht eitje eten.

Als ik haar even later naar huis zie fietsen, zing ik haar na met het liedje van Herman van Veen: ‘He, kleine meid, op je kinderfiets…’

Jos

Deuren

Ik was al gewaarschuwd: als je met een peuter die pas kan lopen over de stoep loopt, kan het even duren voor je op je bestemming bent. Want zo’n kind heeft aandacht voor elk sigarettenpeukje en elk scheefgegroeid sprietje onkruid tussen de tegels. Maar zoiets echt meemaken is toch nog een heel andere ervaring. Het was inmiddels al enkele decennia geleden dat ik bij het wandelen op straat zo duidelijk mijn tempo moest laten bepalen door iemand anders. Want mijn kleinzoon genoot van zijn pas verworven vaardigheid. Hij liet zich niet opjagen. Na drie stappen kwam er een auto voorbij. Hij bleef staan, verwonderd dat die dingen er vanuit zijn nieuwe perspectief zo anders uitzagen. ‘Auto!’ riep hij luidkeels. Ik beaamde het volmondig. Ook toen hij dat een tweede, een derde en een zevende keer bleef herhalen, bij telkens nieuwe auto’s die langskwamen. Hij richtte zijn wijsvinger op geparkeerde fietsen en op volle vuilniszakken. Ik gaf zo deskundig mogelijk uitleg.

Opeens bleef hij staan, voor de deur van onze buren. (Verder waren we dus nog niet geraakt.) ‘Deur!’ riep hij luidkeels. ‘Ja, dat is een deur’, gaf ik toe. ‘Daar wonen mensen.’ We liepen verder. Ik woon in een straat met rijhuizen met een gemiddelde gevelbreedte van zes meter. Het duurde dus niet lang voor we bij de volgende deur waren. ‘Deur!’ riep mijn kleinzoon verrukt en hij liep alvast verder naar de volgende. ‘Deur!’ Zo werkte hij een hele straatkant af. En in een flits begreep ik ook weer hoe geweldig het was dat er achter al die deuren mensen woonden. Mensen om mee te praten en te lachen en naar te luisteren. Buren, kortom. Gelukkig is er mijn kleinzoon om me daar af en toe even op te wijzen.

Kolet

Zaatari

“Of ik zin heb om les Perzische percussie te volgen?”, vraagt de dirigente. “We zingen in het solidariteitskoor enkele liederen uit het Midden-Oosten en daar horen Perzische ritmes bij.” “Natuurlijk”, zeg ik. Mijn passie voor percussie wordt maar al te graag gevoed met nieuwe dingen.

Enige tijd later en met wat nieuwe ritmes in de vingers rijker, tik ik de YouTube-link in die ik gekregen heb om een percussie-arrangement bij te schrijven. Ik verwacht een leuk Syrisch liedje, iets waar ik al mijn creativiteit in kwijt kan. YouTube opent voor mij echter een filmpje van het Syrische vluchtelingenkamp Zaatari. Mensen zitten op de grond in een tent, een man speelt op een darbouka en samen zingen ze een melancholisch lied. Het gaat over het leven in het vluchtelingenkamp, de onzekerheid van een nieuwe dag, de dagelijkse strijd tegen de kou. Voorzichtig probeer ik wat mee te zingen en te trommen. Het voelt contradictorisch. Kijkend naar mensen in de kou zit ik te trommen naast de verwarming die een comfortabele twintig graden aangeeft. Het is niet eerlijk.

Mijn zoontje Rune van negen komt erbij zitten.
“Wat is dat?”, vraagt hij, kijkend naar de beelden.
Ik leg hem uit wat een vluchtelingenkamp is, dat daar ook kinderen wonen en dat die mensen ook musiceren, zoals overal ter wereld. Ik vertaal voor hem wat ze zingen.
Hij is onder de indruk.
“Mag ik wat van mijn zakgeld aan die kindjes geven?”
“Dat mag”.
“Maar welk kindje krijgt dan mijn zakgeld?”
“Het kindje dat het het meeste nodig heeft.”
“Maar alle kindjes daar hebben het nodig!”
Ik kijk naar hem en zie in zijn ogen het besef dat je niet iedereen kan helpen, dat hulpverleners wellicht ook moeilijke keuzes moeten maken, dat de wereld niet eerlijk in elkaar zit.
“Alle kleine beetjes helpen, Rune. Als iedereen een beetje helpt, wordt de wereld al een stuk mooier.”
Het stelt hem enigszins gerust.
“Is dat zakgeld geven dan ook vasten, mama?”
“Ja jongen, ook dat is vasten.”

Sylvie