Barbecue

Een zomervakantie mag dan wel twee maanden duren, vooral voor actieve onderwijsmensen, voor ons lopen de dagen zowat in elkaar. Met de kinderen en kleinkinderen proberen wij toch eens samen te komen, vooral om de studenten die het goed gedaan hebben een schouderklopje te geven en de anderen een riem onder het hart te steken.

Maar een geschikt moment vinden, waarop iedereen in het land is, valt echt niet mee. We moeten het meestal stellen met het grootst mogelijke aantal aanwezigen, want iedereen heeft zo zijn eigen vakantiedoel en –periode. En voor een barbecue moet je eigenlijk ook niet meer op ons zomerweer rekenen. Het moet meestal tussen de donderwolken door gebeuren.

Na de voorbereiding in de voormiddag, waarbij ik nog snel met de fiets wat bakharingen ga zoeken in het naburige dorp, druppelen de meesten een na een binnen. En dan wordt er bij het aperitief weer honderduit gebabbeld, over leuke momenten en over de droevige gebeurtenissen van het leven.

Maar toch vanuit de diepe ervaring dat we elkaar blijvend ondersteunen in goede en kwade dagen. Het is gewoonlijk mijn taak om vis en vlees naar ieders wens te braden. Het is trouwens de enige kookkunst die ik machtig ben.

Voor de kleintjes is er een smeuïge hamburger met een spekje er rond. Wie geen haring met ajuinsaus lust, heeft dan de keuze tussen een worstje, kalkoenfilet of een stukje biefstuk. Ondertussen loopt in de achtergrond de aankomst van een bergrit uit de Ronde van Frankrijk.

En dan worden weer plannen gesmeed voor onze volgende gezinsvakantie. Maar nu al blijken de Europese grenzen voor velen open te gaan: met de fiets naar Parijs, met de auto een rondrit door Oostenrijk, Italië wenkt en Nederland is er ook nog voor een dagje uit.

We mogen ook niet vergeten om een briefje te sturen aan de kinderen die met de KSA of de Roodkapjes op kamp zijn. En morgen komen de jongens – in uitgesteld relais – de finale van het WK voetbal bekijken. En natuurlijk had kleine profeet Naud op Portugal gewed.

Jos

Tranen

Mijn man leent mij regelmatig zijn grote zakdoek uit als we naar een film of een serie kijken op tv. Het is gênant, maar ik kan het niet tegenhouden: als ik verdriet op het scherm zie, gaan mijn sluizen open. Van de moeder van Bambi tot een vader die het lijkje van zijn dochtertje vindt, ik druppel erop los. Fictie of werkelijkheid, dat doet nauwelijks terzake. Voetballers die na een goal door het dolle heen op en over elkaar springen, een uitgeputte tennisster die vertelt over haar match, zelfs mensen die winnen in een quiz brengen me tot tranen.

In het echte leven is het overigens niet veel beter. Op de eerstecommunie-viering in mijn parochiekerk zit ik volledig misplaatst besmuikt te snotteren. Al die kleine blinkende mensjes met hun familie vind ik hartverscheurend! Zelfs voorwerpen kunnen me tot tranen brengen: een vergeten knikker in een jaszak, of nog erger, een eenzaam wantje op de stoep.

Het lijkt er trouwens op dat mijn kwaal erger wordt met de jaren. Alles roept van jaar tot jaar veel meer herinneringen op, dus word ik vanzelf nog weekhartiger. Niet dat ik er depressief van word, verre van. Na het snotteren voel ik me lekker opgelucht. Bevrijd van alles wat me bezwaart. De tranenstroom neemt al mijn afvalstoffen mee en ik kan er weer tegenaan.

Maar het meest ontroerende kunt u ook bekijken. Op dagen dat u het even niet meer ziet zitten met de mensheid. Het is een filmpje waarin wildvreemde mensen elkaar vier minuten lang in de ogen kijken. En wat er dan gebeurt, vind ik een groter wonder dan die van de meeste heiligen bij elkaar. De tranen stromen over mijn wangen. Want hoe vaak krijg je de kans om een stukje hemel op aarde te zien? Alleen als mensen elkaar van hart tot hart ontmoeten. https://www.youtube.com/watch?v=VuB6euiY2pw&feature=youtu.be

Kolet