Wat is een mens?

‘Ik lust geen thee, want ik ben geen mens’, zegt mijn bijna driejarige kleinzoon beslist.
‘Nee?’ schrik ik. ‘Wat ben jij dan?’
Hij glimlacht me toe om zoveel onwetendheid. ‘Een brandweerman natuurlijk.’
Ik geef niet op. ‘Brandweermannen zijn ook mensen’, zeg ik. ‘Jij bent een kleine mens, maar wel een mens. Ik ben ook een mens, maar een groot mens.’
‘Ik ben ook al een beetje groot’, zegt hij. ‘Als ik drie ben, mag ik vooraan in de auto zitten. Achter het stuur!’
‘Dat mag pas later, als je achttien bent’, zucht ik.
‘Maar op de fiets mag ik wel achter het stuur zitten!’ zegt kleinzoon.
Ik heb sinds kort een voorzitje op mijn fiets en daar zit hij dolgraag op. Niet meer achter de brede rug van oma, maar vooraan, met vrij zicht op wat er komen gaat.
Hij klemt zijn handjes om het stuur en ik stap op. We rijden prinsheerlijk door de straten. Hij legt uit welke auto’s hij allemaal ziet: taxi’s, ziekenwagens, politieauto’s en lesauto’s van de rijschool. Het lijkt alsof ze speciaal voor ons allemaal komen langsrijden. Bovendien zijn er veel wegenwerken in de buurt, met graafmachines en drilboren. De pret kan niet op.
‘Yes, kasseitjes!’ roept hij luidkeels als er weer een strook kinderkopjes aankomt. En hij zingt ‘a-a-a-a’ om zijn stem te horen schokken bij het gedender als we over de kasseien fietsen.
Geluk is soms heel gewoon.

Kolet

Vakantiegroeten

Mijn gsm rinkelt. Het vrolijke gezicht van mijn dochter verschijnt op het schermpje. Maar die is met haar gezin op vakantie in Frankrijk. Ik stam nog uit de tijd dat je alleen uit het buitenland belde om dood en zware ziekte van nauwe familieleden te melden. Met trillende vingers duw ik op de ontvangknop. Maar ik heb me voor niets zorgen gemaakt. Ze willen gewoon even vertellen hoe het gaat. En mij trakteren op de stem van mijn kleinzoon. Waar heb je gespeeld? souffleert mijn dochter. Daar! hoor ik kleinzoon antwoorden. Pech voor mij dat ik niet kan zien waarheen zijn handje wijst. Ik heb konijntjes eten gegeven! vertelt hij enthousiast. En wat heb je nog gedaan? vraag ik. Kippetjes eten gegeven, gaat hij verder. Hij heeft het duidelijk naar zijn zin, daar in het exotische Frankrijk.

De andere kinderen appen kiekjes van hoge rotsen, van weidse zeeën en van verleidelijke terrasjes. Ze hebben het allemaal fijn. En ik ben dankbaar voor de draadjes die ze naar huis spannen. Zo hebben we allemaal onze kleine netwerkjes met de mensen die ons nauw aan het hart liggen. We krijgen mailtjes, Facebookberichtjes en zelfs een enkele ouderwetse postkaart. Contact houden was nog nooit zo eenvoudig.

En als ik dan zelf op vakantie een oude kerk binnenstap, brand ik een kaarsje voor mijn hele ‘netwerk’. Zo leg ik hen nog maar eens in de handen van God, die hen natuurlijk al lang stevig vasthoudt. Zo houd ik ook dat draadje van mijn netwerk met plezier in ere.

Kolet