Tweede leerjaar

In de klas van mijn kleinzoon blikten de kinderen samen met de juf op de laatste schooldagen even terug op het voorbije schooljaar. De juf had daarvoor een handig invulblaadje gemaakt. Wat heb je geleerd in het tweede leerjaar? Wat zul je nooit vergeten? Wat was het leukste dat je hebt meegemaakt?

Kleinzoon had alles netjes ingevuld. Hij was trots op de maal- en deeltafels die hij had geleerd. En hoe hij alle kronkels van de hoofdletters had leren temmen.

Waarschijnlijk had de juf ook iets gesuggereerd over nieuwe vriendjes of zo. ‘Ik heb mijn vrienden leren kennen’, schreef kleinzoon braaf.

Maar dan kregen zijn eigen gedachten en gevoelens even de bovenhand. ‘En ook mijn aardsvijanden (!) leren kennen’, schreef hij verder.

Iedereen weet dat de school, en vooral de speelplaats, vaak een jungle is. Waar heftige ruzies, pesterijen en vechtpartijen gebeuren. Dat is op de school van kleinzoon niet anders. Hij weet na het tweede leerjaar heel goed wie zijn vrienden zijn. Maar ook wie hij beter uit de weg gaat.

En misschien is die spelfout van hem nog niet eens zo gek. De grootste vijanden van de hele wereld, de hele aarde, dat zijn je ‘aardsvijanden’.

In de wereld van kleinzoon zijn vijanden heel gewoon. In elke tekenfilm, in elk computerspelletje stikt het van de vijanden. Die zijn doorgaans heel gemeen en je moet ze zo gauw mogelijk uitschakelen. ‘Bemin je vijanden’ is aan hem niet besteed.

Maar hij heeft ook al eens ervaren hoe een jongen die hij eerst als vijand beschouwde, later toch een vriend werd.

Misschien is het niet slecht om te weten wie je vijanden zijn. Maar het is nog beter als je vrienden van hen kunt maken. Hopelijk leert hij dat in het derde leerjaar.

Kolet

kamperen

‘En heb je nog altijd voldoende adem?’ Naud van 13 is bezorgd, als ik bij een of andere helling een beetje achterblijf. Met de jongens, die weldra op kamp vertrekken naar Oudsbergen, willen wij nog een fietstocht maken van 100 km.

Met onze Koen hebben wij gekozen voor Leuven, waar onze jongste, Filip, nog een laatste examen moet afleggen. Wij willen hem een hart onder de riem steken. Want als leraar nog wat bijstuderen is voor hem een oude droom, die op vier jaar tijd gerealiseerd kan worden.

‘Neen, het gaat prima, als ik het af en toe wat rustig aan doe,’ verzeker ik Naud, die er voor het eerst na zes jaar voor gekozen heeft om met zijn vrienden mee naar het kamp te fietsen. De vorige jaren kon hij die tien dagen nog niet met een gerust gemoed van huis gaan. Maar nu zit hij letterlijk en figuurlijk in de groei.

Zijn oudere broer Bran van bijna 17 gaat al wel voor de tiende keer mee. Bij hem is er nooit een probleem geweest om zijn plan te leren trekken. Filosofisch kijkt hij tegen het leven aan. ‘Weet je dat ik op dit kamp leider word?’ Hij vertelt het met een zekere fierheid. ‘En dan moeten wij ’s nachts wel gedoopt worden of zoiets.’

De twee broers hebben een heel aparte stijl van fietsen. Het lijken wel jonge veulens die nu eens op de loop schieten en dan weer traag achteraan uitbollen. Ook hij houdt mij wel in de gaten. Dat voel ik. Op de Oude Markt zijn de broodjes besteld. Eéntje is genoeg voor mij. En zonder verpinken neemt hij mijn tweede aan. Hij is nog in volle groei.

Op de terugweg houden wij even halt aan een brug in Mechelen. Een koffietje kan er nog wel bij. Voor de jongens een frisdrank of een ‘Mont Blanc’: dat is een warme chocomelk met slagroom. Weer iets bijgeleerd.

Het doet deugd om eens een dagje zorgeloos te fietsen met de zonen en de kleinzonen. Want morgen ga ik voor een jaarlijkse controle naar de cardioloog. Ik zal hem beslist met vertrouwen vertellen dat ik nog 100 km in de benen heb. En dat de longen nog altijd voldoende adem hebben.

Jos

Johan en Leonie

Zij zijn binnenkort zesenvijftig jaar getrouwd. Johan kan niet meer. Hij ligt de hele dag en nacht in bed. Hij eet en drinkt een beetje en zegt niet meer veel.

Leonie is vertwijfeld. Ze zit de hele dag naast hem op een stoel. ‘Wat zit ik hier eigenlijk te doen?’ vraagt ze zich af. Uit de grond van mijn hart zeg ik haar dat wat zij doet heel belangrijk is. Ze doet niet zoveel maar ze IS er voor Johan. Ze blijft de hele dag bij hem.
Er zijn voor iemand is het mooiste geschenk dat je aan iemand kan geven. Het zijn de kleine dingen die echt belangrijk zijn. Ik vraag het aan Johan en hij bevestigt het. Daarna zegt hij hoeveel geluk hij heel zijn leven gehad heeft met Leonie. Zij straalt. Zij vertelt over hun huwelijksverjaardag binnenkort, over hun leven en alle oud zeer dat nooit overgaat.

Het is een kostbaar moment.
Die gezegende kleine dingen toch.

Ruth