Leuven

‘Dat zal je dan een dik paasei kosten,’ vertel ik onze kleinzoon Naud, wanneer ik zijn fiets ga afhalen bij de fietsenmaker, want hijzelf moet naar de KSA. Rond vijf uur hadden wij met de kinderen afgesproken om in onze tuin ‘de vasten te breken’. Het is een jaarlijks ritueel, dat nu niet op paasavond gevierd kon worden.

Onze andere kleinzoon Bran van bijna 17 was mij op Witte Donderdag komen helpen. Elk jaar is de paasvakantie de geschikte tijd om de aspergebermen klaar te maken en de aardappelen te planten. Met ons tweeën lukt het nog wel. Hij kan met zijn ogen stelen hoe het allemaal in zijn werk gaat.

Zijn zus Marie is op Pasen zelf 18 geworden. Zij is mijn petekind. Ik had haar voorgesteld om in de extra week paasvakantie eens met de trein naar Leuven te rijden, op verkenning in de studentenstad van mijn jeugd. En het was inderdaad een stralende lentedag.

Zij weet nu waar de meeste faculteiten zich bevinden. En de Alma’s. Ik kon haar heel wat nuttige achtergrondinformatie geven, als zij straks haar definitieve studiekeuze moet maken. Een kot zal zij later wel met haar ouders moeten zoeken. Ik wees haar onder meer ook de Sint-Jozefkerk met de crypte van pater Damiaan, waar wij met onze fiets bijna 50 jaar geleden de berg op moesten om naar de les te gaan.

Haar verjaardagsfeestje konden wij gelukkig toch buiten vieren, in kleine bubbels in de tuin. Iedereen had voor een passend geschenk gezorgd. En wij mochten even toch een feestlied aanheffen. Zij heeft heel wat goede voorbeelden om haar studententijd voor te bereiden: ouders, nonkels en tantes. Leuven is voor onze familie altijd al de stad van de wijsheid geweest.

Hopelijk kan in september het academiejaar min of meer normaal beginnen. Voor het zover is, willen wij haar graag toch de stad laten zien, die zij met haar jaargenoten dit jaar moet missen. Onze Romereis in 1965 was mijn eerste echte blikopener. En zij mag nu met iemand haar humaniora daar gaan afronden. Wij zijn erg benieuwd wie zij gaat kiezen.

Jos

Fier

Je was vier jaar en ik ging mee met jou op schooluitstap. In de bus had je een plaatsje voor mij vrij gehouden. Ik herinner het me zo goed. Echt fier was je dat je mama naast jou kwam zitten. We praatten niet veel. We keken een beetje uit het raam. Ik denk dat ik toen al besefte dat dit niet zou blijven duren.
Jij bent nu het meisje met de langste haren van de klas. Je speelt muziek. Je leest en rekent. Je bakt pannenkoeken en doet graag heel veel zelfstandig. Maar het meisje van vier in de schoolbus zal ik ook niet vergeten. Wat een geluksvogel ben ik dat ik je mama mag zijn!

Ruth

Op een ezel

Op de Palmzondagviering in onze parochie hebben we dit jaar een paar gezinnen met toekomstige eerste communicantjes uitgenodigd. Meer dan 15 mensen mogen er immers niet in de kerk. De rest van de parochianen kan via streaming meevolgen. Zo zie ik op het scherm mijn kleinzoon samen met een stel andere kinderen toegewijd met palmtakjes zwaaien tijdens de evangelielezing. 

Dan vraagt de voorganger aan de kinderen: ‘Waarom denken jullie dat Jezus op een ezel reed? En niet op een paard?’

Kleinzoon steekt zijn hand op. ‘Omdat hij ook al op een ezel reed toen hij in de buik van zijn mama zat’, zegt hij. Het lijkt hem niet meer dan logisch: die ezel hoort bij Jezus. Op weg naar je dood ga je wellicht niet anders dan op weg naar je geboorte. Dichtbij en tussen de mensen.

Wat een cadeau dat we in onze parochie ook van kinderen mogen leren.

Kolet

Raket

And now the end is here,
and so I face that final curtain…

‘Oooh’, slaak ik een enthousiaste zucht terwijl ik de volumeknop opendraai bij het horen van de eerste tonen. Ik neurie een beetje verder, want buiten de eerste regels ken ik de tekst eigenlijk niet.

‘Wie is dat?’ vraagt zoonlief op de passagierszetel naast me.

‘Frank Sinatra’ antwoord ik.

‘Is die bekend?’

‘Uhm’

‘En waarover gaat dat liedje?’

‘Uhm, over iemand die heel oud is en bijna gaat sterven. En die dan terugkijkt op zijn leven en zegt: het is mooi geweest, ik heb het leven helemaal geleefd zoals ik wilde.’

‘En is die nu dood?’

‘Ja, al een tijdje.’

Stilzwijgend luisteren we verder hoe de muziek bombastisch aanzwelt en Frank Sinatra met steeds meer overtuiging zijn levensloop bezingt.

‘Weet je wat grappig is?’, hoor ik ineens naast me, ‘iedereen kijkt altijd naar boven wanneer we over de hemel praten. Maar daar is de hemel helemaal niet.’

‘Oh nee?’ vraag ik verbaasd, ‘en waarom niet?’

‘Ja, ik weet nu dan ook wel niet waar die wel is’, antwoordt hij stellig, ‘maar zeker niet daarboven. Heb je al ooit gezien wat voor een gigantische vuurstroom uit een raketmotor komt? Dat kan echt niet door de hemel gaan hoor, dan verbrandt toch iedereen!’

‘Ah zo ja, daar heb je een punt.’

We mijmeren samen een beetje verder. Terwijl mijn 9-jarige zoon zijn wereld probeert samen te denken en flirt met de grens tussen geloof en wetenschap in zijn hoofd denk ik aan Frank Sinatra. Ik zie een beeld voor me: Frank Sinatra strak in pak op een hemelse bühne die toeschouwers uit lang vervlogen tijden toezingt over that final curtain. Met bulderende motoren vliegt een raket dwars door het podium heen. Verwijtend kijkt Frank de verwoestende vuurstaart achterna en steekt zijn gebalde vuist omhoog…

Nee, hij heeft gelijk. Waar de hemel is, weet ik na 36 jaar ook nog niet. Maar dat het alvast nergens zal zijn waar de hemelbewoners opgeschrikt kunnen worden door voorbijrazende raketten, dat staat vast.

Liesbeth

Toekomst

‘Het leven is zo voorbij’, zegt iemand van 93 jaar, ‘hoe ouder je bent, hoe rapper het gaat.’ Dat is waar. Maar ik ben niet akkoord. Ik wil op pauze kunnen drukken. Stoppen. Vertragen. Focussen. Mediteren. Ademen. Luisteren. Stil zijn.
Als ik denk aan mijn woelige gedachten en bijbehorende chaotische gevoelens, weet ik dat ik nog heel veel moet leren. En er is haast bij. Het paradoxale is dat ik een professionalin-stilte wil zijn voordat ik oud ben. Ik wil graag dat iedereen later over mij zegt: ‘zij straalt zo’n vrede uit en ze klaagt nooit’.
Terwijl ik het schrijf, vind ik het zelf een goede grap. Ik heb geen vat op mijn verleden of op mijn toekomst. Laat ik me nu maar eerst focussen op de afwas.

Ruth     

Treinen

‘Rond één uur komen wij langs met de fiets,’ seinen Marie en Bran, onze oudste kleinkinderen. Zij moeten maar af en toe lijfelijk op school aanwezig zijn. Maar op een woensdag is het echt geen probleem om ons een bezoekje te brengen.

Het is erg attent dat zij op die manier ook eens anders dan in een zoomsessie kunnen vertellen over wat er in het laatste en vijfde jaar zoal gebeurt. Marie is haar keuze aan het maken voor haar eerste academiejaar. Wat en waar liggen nog niet vast.

Ook wij kunnen wat van ons wedervaren kwijt. Zoals met ons gratis treinticket op reis gaan voor één dag. De bestemming van februari was Hasselt. In de vorige maanden hadden wij al Kortrijk, Neerpelt, Eupen en Geraardsbergen bezocht.

Het doet toch deugd om op een zo veilig mogelijke manier een stukje van onze kleine wereld te zien. En Hasselt is wel een lieflijk stadje op mensenmaat. Mijn eerste grote daad was het zoeken van een kapper, nu dat weer toegelaten was.

Vlakbij het station had ik al prijs. Mehmed, een Koerdische jongeman, afkomstig uit Istanbul, mocht mij onder handen nemen. Veel Nederlands sprak hij nog niet, maar met wat Engels en enkele woorden Turks van op reis begrepen wij elkaar.

Deze sessie deed mij terugdenken aan onze tochten naar Antalya en Cappadocië, toen de kapper in een bergdorpje op een ambachtelijke manier mijn haren en baard knipte. En tot slot met een vuurwiekje de stoppels in en rond mijn oren wegbrandde. Zalig.

Een dag in de stad is zo voorbij. Bijna vijf uur op de trein met een boek, of gewoon genieten van het onbekende landschap. ’s Middags op zoek gaan naar een toilet en even kijken naar de leuke winkels. Op een bank in het centrum een lekker broodje verorberen: het lijkt wel vakantie.

En natuurlijk toch ook binnenlopen in de Virga-Jessebasiliek om een noveenkaars aan te steken. Hiermee kunnen wij zowel dankbaarheid als zorg voor kinderen en kleinkinderen delen. En Valentinus Paquay, het Heilig Paterke van Hasselt, mochten wij ook goeiedag gaan zeggen.

Jos

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

We zitten in het park even uit te puffen na een spannend spelletje pétanque. Opeens wijst kleinzoon naar de grond onder een struik. ‘Zit daar een spookje?’
Ik had de witte vlek ook al opgemerkt in de rand van mijn blikveld, maar hem automatisch gecatalogiseerd als zwerfvuil: een weggewaaide witte plastic zak, die onder de struik is blijven hangen.
‘Wie weet’, zeg ik. ‘Wat zou zo’n spookje daar wel doen?’
‘Misschien is het een zomerspookje dat zijn winterslaap doet’, bedenkt kleinzoon. ‘Dan moet hij uitkijken voor winterspookjes, want die zijn er nu veel.’
‘O ja?’ lach ik. ‘En doen die winterspookjes dan geen winterslaap?’
‘Natuurlijk niet’, zegt kleinzoon zeker van zijn stuk, ‘die doen alleen een zomerslaap.
‘En wanneer worden de winterspookjes afgelost door de zomerspookjes?’ vraag ik.
‘Op 21 maart natuurlijk’, zegt kleinzoon. Hij heeft net een project over de seizoenen achter de rug op school. ‘Maar soms vergissen ze zich een paar dagen en dan wordt het spannend.’

Hij knabbelt verder aan zijn rozijntjes en ik aan mijn appel.
Even bekruipt me de neiging om onder de struik te gaan checken wat dat witte ding precies is. Maar ik doe het niet.
Want het is veel te zalig om samen met kleinzoon te kijken naar iets wat er misschien niet is. Of misschien wel.

Kolet

Adem

Ik loop met onze kinderen naast een beekje boordevol water. Het water stroomt en stroomt. Mijn hoofd zit boordevol gedachten. Ze stromen en stromen. Oefenen wil ik om middenin de stroom innerlijke vrede te zoeken. Ik kijk naar de kinderen. Ik adem en voel de wind. Ik denk aan de mensen van mijn werk en aan wat ik ga maken deze avond. Mijn schoenen zijn een beetje vuil geworden. Ik kijk opnieuw naar het water. Ik adem. Het leven is alledaags en wonderlijk tegelijk. Hij weet dat we gemaakt zijn uit het stof van de aarde.

Ruth

Uitvaart

‘Het was een hele mooie viering. Dat heb je goed gedaan.’ Ernaast prijkt een hartje in bloedrode kleur. Naud van dertien is er altijd als de kippen bij om via WhatsApp commentaar te geven of te reageren op belangrijke gebeurtenissen.

De viering slaat op de uitvaartliturgie van mijn zus Adeline, jarenlang juf in het eerste leerjaar. Zij was net 81 jaar geworden. De laatste maanden was zij aan het sukkelen met haar gezondheid. Zij was nogal bang van dokters, vooral van het oordeel dat die zouden vellen. En zo heeft zij wellicht te lang gewacht om op bepaalde signalen van haar lichaam te reageren.

Met oudejaarsavond was zij nog bij ons aan huis geweest. Het ging langzaam, met heel wat hulp en ondersteuning. Zij heeft toch nog genoten van de feestmaaltijd. Zij was voor onze kinderen de tante die geen enkele verjaardag vergat. Zij kende die meestal uit het hoofd. En de kaartjes – met een pakje erbij – lagen al dagen op voorhand klaar.

En toch overvalt een dergelijk gebeuren je plotsklaps. Op minder dan twee dagen tijd is die zorgzame vrouw verdwenen. Nog in twee ziekenhuizen terechtgekomen. Maar de ziekte en de complicaties waren al te ver gevorderd.

Om de kinderen, kleinkinderen, broers en zussen de kans te geven om er in de kerk toch bij te zijn – slechts 15 aanwezigen toegelaten – had ik voorgesteld om voor te gaan. Mijn vormingscursus als voorganger in de uitvaartliturgie zat er bijna op, want tien dagen later zou ik de aanstelling krijgen uit de handen van onze hulpbisschop Koen.

Zo waren wij precies in orde, want twee nichtjes wilden graag een paar liederen zingen. De uitvaart werd gestreamd en daar hebben meer dan 100 gezinnen dankbaar gebruik van gemaakt om toch op die manier afscheid te kunnen nemen van haar als collega en vrijwilliger in talrijke verenigingen.

Ik zag die viering een beetje als mijn ‘examen’, voor ik wellicht ‘mijn laatste diploma’ zou behalen. Dan ben je niet alleen broer, maar ook vertegenwoordiger van de geloofsgemeenschap. En dat helpt.

Jos

Kampvuur in coronatijden

‘Het meest kostbare geschenk
dat we iemand kunnen geven
is onze aanwezigheid.”
(Thich Nhat Hanh)

Met ons gezin staan we uren rond het kampvuur, te gast bij een vriend. Het regent nu en dan. De kinderen lijken de kou niet te voelen. Ze zijn in de ban van het vuur en van het bos rondom ons. Ik besef hoe het vuur me troost, hoewel ik zelfs mijn verdriet vergeten was. Onze gesprekken gaan naar de kern. Het vuur inspireert me om opnieuw aan te sluiten bij goede gewoontes die ik heb laten verkommeren. Dat laatste is niet erg. Ik kan altijd opnieuw beginnen. Ik voel de drive om er te zijn voor de mensen rondom mij. Daarom ga ik eerst en vooral goed voor mezelf proberen te zorgen.
Bemin je naaste als jezelf!   

Ruth