Openbaring

Ik speel met mijn kleinzoon een spelletje ‘boter, kaas en eieren’. Het dateert nog van de vorige generatie kinderen in huis en zit in een oude doos. Op het deksel staan in close up de gezichten van een jongen en een meisje die dolle pret hebben met het spel. Het gezicht van het meisje is echter met blauwe balpen ‘bijgewerkt’. Een voorhoofd vol pukkels, sproeten op haar neus, een snor en een heftig gestreept sikbaardje. Boven het mishandelde meisje staan letters. ‘BEKKA’, spelt kleinzoon. Er staat inderdaad ‘DIT IS BEKKA’.
‘Dat is mijn mama!’ zegt kleinzoon verrast.
Ik knik. ‘Jouw mama heeft hier vroeger ook mee gespeeld. Misschien heeft meter Sara dat gedaan’, leg ik uit.
‘Meter Sara?’ zegt hij ongelovig. Hij kent haar als een grappige, maar altijd lieve tante. ‘Waarom doet die zoiets?’
‘Zusjes maken weleens ruzie, hè?’ zeg ik.
Hij kijkt me met grote ogen aan en ik zie zijn hersens knarsen. Hij weet best dat grote mensen vroeger kinderen waren, maar nu wordt het opeens toch wel heel concreet.
Het moet het gevoel zijn dat archeologen ervaren als ze een heel nieuwe laag van een oude stad blootleggen: een ongelooflijk gedetailleerde inkijk in de geschiedenis.
Hij bestudeert de bijgewerkte afbeelding minutenlang heel zorgvuldig. Dan lacht hij. De openbaring is verwerkt. Hij zal zijn mama en zijn tante ongetwijfeld voortaan met andere ogen bekijken. Ze kunnen hem vertellen wat ze willen, hij heeft de bewijzen gezien dat zij ook wel eens stout waren. Altijd een opluchting, en een onmisbare stap in het groot worden.

Zo schuiven we allemaal op, beetje bij beetje. Mijn kinderen zijn ruimschoots volwassen en ik word oud. Er zijn veel slechtere manieren dan deze om dat te mogen ervaren. Daarvoor laat ik me met plezier verslaan bij het spel. Kleinzoon zit al klaar.

Kolet

Advertenties

Feest en cadeautjes

Het eerste weekend van de grote vakantie is het groot feest! Mijn neefje wordt 5 jaar en zegt er onmiddellijk bij dat hij al bijna 6 is.
De hele familie is uitgenodigd om zijn verjaardag en die van zijn zusje van 2 te vieren op een zondagochtend. We brunchen samen in de tent buiten en mijn neefje opent de cadeautjes. Er zit heel wat Lego bij, want bouwen en spelen met Lego behoort momenteel tot zijn favoriete bezigheden.
Op een bepaald moment zitten we binnen samen op de speelmat, hij en ik. We spelen samen met zijn nieuwe zelfgebouwde tractor en dan vraagt hij opeens: ‘Waarom had jij geen cadeautje voor mij bij?’ Geen onlogische vraag natuurlijk. ‘Wel,’ begin ik aarzelend, ‘heb je mijn kaart gekregen?’ ‘Jazeker,’ glundert hij, ‘want die was hier met de post.’ ‘Aha,’ antwoord ik, ‘dat is goed. Dat was al een klein cadeautje.’ Hij kijkt me peinzend aan, nog niet helemaal overtuigd.
Ik ga verder. ‘Je weet toch dat ik niet jouw meter ben, hè’. ‘Nee,’ zegt hij vastberaden, ‘jij bent de meter van mijn broer.’ ‘Klopt,’ zeg ik, ‘en als jouw broer in december jarig is, krijgt hij van mij een cadeautje, maar hij krijgt er geen van jouw peter.’ ‘Ja, dat is juist’. Hij denk even na. ‘En,’ ga ik verder, ‘is het ook geen cadeautje als ik in de grote vakantie nog eens met jou en je broer kom spelen? Zou je dat leuk vinden?’ ‘Of,’ zegt hij zelf, ‘mag ik nog eens in jouw huis met jouw lego komen spelen?’ [We hebben bij ons drie grote dozen Lego staan van mijn man en zijn broers staan. Succes verzekerd.] ‘Zeker,’ zeg ik, ‘dat zou ik ook een heel leuk cadeautje vinden.’ ‘Ok!’ Mijn neefje speelt verder tot hij geroepen wordt om kaarsjes te blazen.
Intussen is hij al een keertje met de lego komen spelen en is onze volgende speelafspraak in ‘zijn huisje’ ook al gepland. Want cadeautjes, dat vinden we allebei fijn.

Els

Ongewenste indringers

Daags voor we op reis vertrekken, hebben we last van ongewenste indringers. Via een of andere kleine opening vinden tientallen mieren de weg naar onze woonkamer. Tussen het inpakken door ga ik nog om een product bij de apotheek en breng ik mijn schoonouders op de hoogte. Terwijl we weg zijn, logeren ze namelijk in ons huis. Niet om op te passen – dat ook natuurlijk – maar om er even tussenuit te zijn.

Eenmaal op onze bestemming ben ik de mieren vlug vergeten. Tot mijn echtgenoot enkele dagen later even naar huis belt. Er blijkt sprake van een heuse mierenplaag. Gelukkig doet mijn schoonmoeder er alles aan om ze onder controle te krijgen. Desondanks slaap ik die nacht slecht en word ik de volgende dag wakker met zeurende hoofdpijn. Ik maak me zorgen: wat als het niet lukt die plaag te bestrijden? Wat als we bij thuiskomst een huis vol mieren aantreffen? We hebben immers daags nadien meteen al bezoek. Van goeie vrienden weliswaar, maar een woonkamer vol mieren, daar zit toch niemand op te wachten? Tientallen doemgedachten en scenario’s door mijn hoofd. Geen wonder dat ik de pijn in mijn hoofd niet onder controle krijg.

Helaas brengt al dat gepieker me zoals gewoonlijk geen stap vooruit. Dus pak ik pen en papier, zoals ik wel vaker doe de jongste weken. Eens zien waar de mieren me brengen als ik mijn gedachten en vooral mijn gevoelens de vrije loop laat en elke vorm van controle laat varen. Ik hoef niet veel en lang te schrijven. ‘Controle’ blijkt al vlug het sleutelwoord. Ik hou namelijk niet van ongewenste indringers. Gelukkig besef ik vrij vlug dat ik op tweeduizend kilometer van huis weinig tot niets kan ondernemen. En dat je zorgen maken over iets wat je niet in de hand hebt, het vakantiegevoel niet ten goede komt.

Beetje bij beetje neemt vertrouwen opnieuw de overhand en verdwijnen de mieren uit mijn hoofd én – zo blijkt enkele dagen later – ook uit ons huis. Bij thuiskomst blijkt alles terug zoals voorheen. Of toch niet helemaal. De mieren zijn dan wel verdwenen en ons huis ligt er, zoals verwacht, kraaknet bij, maar ik ben niet meer zoals voorheen. Zoals dat wel vaker na een vakantie het geval is… Doorgaans heb ik het niet zo voor gasten als we niet thuis zijn. Ook daar zit wellicht mijn controlerende kantje voor iets tussen. Nu echter ben ik dankbaar, want wie weet wat we hadden aangetroffen als ons huis niet bewoond was geweest? Laat die gasten dus maar komen, al verkies ik uiteraard mensen boven mieren… Met een beetje controle is niets mis…

Liselotte

Maak je geen zorgen

Ik zit ’s ochtends aan de ontbijttafel. Het is vakantie en ik geniet van een kop granenkoffie. “Kijk naar de vogels in de lucht en de lelies op het veld”, zegt Jezus. Deze ochtend is het zo’n ochtend om te genieten van kleine, gewone, gratuite dingen. Het kamp van onze zoon Imre start pas om 9u en er is alle tijd om langzaam wakker te worden. Ik vertrouw, alles komt goed.

Om 8u verschijnt Imre met een slaapkop in de keuken. Hij eet langzaam zijn boterham.
“O ja”, zegt hij ineens, “het kamp begint vandaag een half uur vroeger want we gaan met de bus naar Heverlee om vlotten te bouwen.”
Ik spring recht. “Dan moeten we nú vertrekken.”
Ik spurt naar de voordeur en hoor nog net “En we moeten reservekledij meenemen voor als we van het vlot vallen. En muggenmelk. En een zwembroek. Maar de mijne is te klein, ik moet een nieuwe.”

Ik gris een stapeltje kleren uit Imres kast en vis de zwembroeken van oudere broer Rune uit de zwemzak. We springen in de auto. Ik bereken dat we een kwartier nodig hebben om op de bestemming te geraken. Op de achterbank past Imre zwembroeken.
Net op tijd komen we aan. De bus staat vertrekkensklaar. Met een stralende glimlach stapt Imre op. Niets aan de hand.

“Maak je geen zorgen om de dag van morgen”, zegt Jezus.
Ik wou dat ik dat kon. Of dat ik volledig ‘zen’ bleef bij al dat kunst- en vliegwerk.
Jezus’ uitspraak is uiteraard breder bedoeld dan de dagdagelijkse rush. Uiteindelijk blijven we gedragen, wat er ook gebeurt.
Maar ik besluit toch dat er in de tijd van Jezus geen bussen en dagkampjes waren. Of er bestonden toen alleen kindertjes met een gestructureerd hoofd. En passende zwembroeken.

Sylvie

Fietsen

‘Ik denk wel dat je er nu klaar voor bent,’ vertel ik aan Bran van bijna 15, die straks met de fiets op KSA-kamp vertrekt. Na de laatste proefwerken had ik hem beloofd om eens te gaan trainen. Want ruim 100 km naar Bocholt in de zomerzon is geen sinecure.

Op een warme lenteavond vertrokken we dus rond 7 uur naar Mechelen, vooral langs fietspaden op de dijken, die ik al dikwijls verkend had. Voor hem was alles nog nieuw en op een goed uurtje hadden we die 20 km overbrugd.

Op een jaar tijd is hij groter, taaier en peziger geworden. Vorig jaar had hij de afstand naar het kamp met moeite overleefd, maar dit jaar was er geen enkel probleem. Na een verfrissing op een terrasje konden we met nieuwe moed de terugtocht aanvatten, zodat we nog voor het donker weer thuis zouden zijn. Hij kon al aardig wat sprintjes trekken.

Onderweg kwamen we heel wat dieren en fietsers tegen. Altijd leuk als je je niet alleen voelt in de wereld. Met Bran heb ik alvast afgesproken om na het kamp eens een dagtocht naar Lier te maken, ook haast helemaal in het groen op de dijken. Hij zal die 60 km nu wel aankunnen.

Zijn drie jaar jongere broer Naud is nog maar één keer op kamp geweest. Hij zou wel willen, maar het is allemaal nog te ver en te lang. Daarom wilden wij zijn nieuwe fiets eens uitproberen in de buurt. ‘Dit is het huis waar ik 72 jaar geleden geboren ben,’ vertel ik hem bij de Mariakapel van Overheide.

En we gaan even binnen om een kaarsje te branden, voor zijn vrienden, die hij nu deze tien dagen wel mist en ook voor Leon, het kindje van een tweeling, dat nog voor zijn verjaardag aan wiegendood overleed. Dat was zijn speelkameraadje toen zij mochten babysitten.

In Opdorp raken we bijna in een wielerwedstrijd verzeild, maar we kunnen langs een veldweg ontkomen. We bezoeken even de speeltuin van mijn eigen jeugd, die nog altijd aantrekkelijk is voor kinderen. Ook Naud is wellicht al klaar nu voor de grote vakantierit naar Neerpelt.

Leuk is het om al fietsend door de zomer te zweven.

Jos

In het dagelijks leven

We komen elkaar tegen bij de bakker. Mijn Ierse buurvrouw vraagt of ik aan het werk ben. Ik val een beetje door de mand want ik moet zeggen dat ik ‘in behandeling’ ben. Dat het kanker betreft, vertel ik maar niet. Ze reageert erg lief: ‘I’ll pray for you.’ Ik bedank haar.

Achteraf bedenk ik dat bidden voor iemand anders en vlotter klinkt in het Engels of Frans. In het Nederlands kom ik niet verder dan ‘ik duim voor je’ of ‘we denken aan jou’. De bedoeling is dezelfde. Het gaat om de zegen, de helende kracht die van de ene naar de andere mens vloeit. Dat is niets magisch. ‘Het mysterie vindt plaats op het centraal station’ (Joseph Beuys). Of bij de bakker…

Ruth

Groot genoeg

‘Iedereen denkt dat ik vier ben’, zegt mijn kleinzoon met een neutrale stem. Hij wordt over een paar maanden zes en gaat na de zomer naar het eerste leerjaar. Hij is de kleinste van de klas, meisjes inbegrepen, en ik voel een trauma in de maak.
‘Dan zullen ze nogal verschieten als jij zegt dat je bijna zes bent’, zeg ik monter. ‘Want jij kunt en weet veel meer dan een kind van vier, hè.’
Kleinzoon knikt nadenkend.
‘Het maakt niet uit hoe groot ik ben’, zegt hij dan vol overtuiging. ‘Want later worden alle mensen toch even groot.’
Ik sta even met mijn mond vol tanden. Voor iemand die niet veel groter dan een meter is, lijken alle grote mensen blijkbaar reuzen. Allemaal ver buiten zijn bereik en dus op het eerste zicht even lang. Een woud vol grote bomen, waartussen hij een dapper groeiend struikje is.
Voorzichtig zeg ik iets over verschillen tussen mensen, ook als het over lengte gaat. Ik haal een paar voorbeelden uit de familie van stal, waarvan de ene duidelijk twintig centimeter korter is dan de andere. Maar dat interesseert hem niet.
‘Grote mensen zijn altijd groot genoeg’, besluit hij. En dat kan ik absoluut niet verbeteren.

Kolet