Om wie je bent

Sinds vorig jaar wil onze zoon van tien in zijn eentje te voet naar school. Voor hem een stap naar zelfstandigheid. Voor ons een oefening in loslaten en vertrouwen. Zoals elke ochtend geef ik hem een knuffel, terwijl ik kijk of hij al zijn spullen bij zich heeft.

„Je weet toch wel hoeveel ik van je hou”, zeg ik plotseling vanuit een vlaag van moederliefde. „Dat weet ik”, zegt hij en voegt er, half vragend, aan toe: „Omdat ik zo goed mijn best doe en goeie punten haal?” Even ben ik uit mijn lood geslagen. Dat is niet hoe ik het aanvoel of wat ik hem wil meegeven. „Neen, niet omdat je goeie punten haalt”, zeg ik vlug. Hij kijkt mij verwonderd aan. Hoe leg ik dat nu uit, wetend dat de klok intussen onverbiddelijk voort tikt en ik het lange haar van zijn jongere zus nog dien uit te kammen?

Ik besef dat wat ik nu zeg cruciaal is en dat het nu dient te gebeuren of het moment is weer weg. Gelukkig komen de woorden vanzelf. „Ik hou van je om wie je bent”, zeg ik. „Niet om wat je allemaal doet en kunt. Natuurlijk is het fijn voor mij en papa dat je zo goed je best doet, maar als er morgen iets gebeurt waardoor je bepaalde zaken niet meer kunt, zullen wij je nog even graag zien als vandaag. Begrijp je dat?”

Hij knikt en vertrekt haastig naar school. Het gesprek blijft de hele dag bij mij nazinderen en ik hoop eigenlijk ook bij hem. Je kind onvoorwaardelijk graag zien, is een ding, dat hij of zij het ook zo ervaart, is nog iets anders.

Enkele dagen later geef ik dezelfde boodschap aan zijn zus. „Je weet toch wel dat ik je graag zie?” „Om wie je bent”, voeg ik er meteen aan toe. Ze knikt en ik koester dezelfde hoop als bij haar broer. Kinderen laten beseffen dat ze geliefd worden om wie ze zijn, is dat niet het mooiste geschenk dat je hen kunt geven. En is het niet dat verlangen dat wij allemaal koesteren?

Liselotte

 

Advertenties

De klokken

Op zaterdag is er zwemles in het zwembad van het naburige MPI. Mijn twee neefjes hebben na elkaar een half uurtje zwemles. De oudste van 4 gaat alleen, achter het gesloten gordijntje, terwijl mama wacht. In tussentijd ga ik met de jongste van 2,5, mijn petekind, spelen in het bos en de speeltuin net buiten het zwembad. Op bezoek gaan bij de kippen en ganzen is nog een brug te ver.

Na een half uur zijn de rollen omgekeerd: mama gaat het water in met de jongste en ik maak met de oudste van een wandeling, deze keer wel naar de kippen en ganzen. Net naast het kippenhok ontdekken we opeens drie openluchtmuziekinstrumenten: een houten xylofoon, een ijzeren xylofoon en drie grote triangels. Mijn neefje klopt er duchtig op los. Bij de triangels zegt hij plots: ‘Hé, dat klinkt als de kerk’. En inderdaad, ik hoor er ook kerkklokken in.

Hij blijft even stilstaan, maar loopt dan vrolijk verder richting de kippen. Soms hoeft kerk helemaal niet ver te zijn.

Els

Wereldbol

‘Oma, weet je dat wij wonen op een wereldbol?’ vraagt mijn kleinzoon.

Ik knik. Dat ga ik niet ontkennen.

‘Op het einde van alle landen is er de zee’, legt hij uit. ‘En dan gaat er een waterval weer helemaal naar boven.’ Hij maakt grote armgebaren. Ik zie het voor me.

Kleinzoon probeert al die rare dingen waar grote mensen in geloven in elkaar te passen. Dat is een hele opgave.

Even later heeft hij het over eb en vloed. ‘De maan trekt aan het water van de zee’, vertelt hij. ‘Met zwaartekracht of zo. En als ze stopt met trekken, komt het water weer terug.’

Ik zou het zelf niet beter kunnen uitleggen.

We zijn pas naar een film over een heks geweest, die zonder moeite een tafel ondersteboven tegen het plafond kon toveren. Dat vond kleinzoon geweldig. De zwaartekracht is duidelijk nog niet allesoverheersend in zijn denkwereld.

Gelukkig maar. Hij mag nog even luchthartig en lichtvoetig zijn.

Er is nog plaats voor spoken en elfjes en andere vliegende wezens in zijn wereld. En ook voor God. Hopelijk blijft die laatste voor altijd in zijn buurt.

Kolet

Het verhaal van een stukje gips

Ik heb een hekel aan rommel.

Het is heus niet zo dat je bij mij van de vloer moet kunnen eten, maar ik heb een hekel aan hoopjes van papier, kousen (waarom telkens slechts één helft van het paar?), stylo’s waar geen druppel inkt meer uitkomt, paperclips, een gebruikt plastic lunchzakje, elastiekjes voor in het haar en dringend-te-betalen rekeningen. Op een of andere manier klitten die telkens samen met nog een paar niet genoemde voorwerpen en grijnzen me aan vanop een vensterbank, een stoel, de schouw of zomaar op de grond, ergens in een hoekje van de kamer.

Dergelijke hoopjes verstoren mijn innerlijke rust. Ik word gekwetst tot in het diepst van mijn gevoel voor harmonie en schoonheid. Vervolgens word ik een strijder. De Alles-voor-Orde, Orde-voor-het Gezin-strijder. Ik vervolg de schuldigen en blijf, de hele dag lijkt het wel, bezig met het herstellen van de oorspronkelijke rust en harmonie.

En ik word er zo vreselijk moe van.

Nog niet zo lang geleden had ik een klein ongelukje met grote gevolgen. Mijn verzwikte enkel en gebroken voet mochten voor minstens zes weken in het gips.

Erger dan de pijn, erger dan het ongemak vond ik het feit dat ik niet meer kon recht springen om de dingen terug mooi te maken. Mijn gezinsleden moesten al zoveel van mijn taken overnemen. Ik kon hen echt niet vragen om ook nog eens die boeken of de post meteen op hun plaats te leggen, de charcuterie op een houten plankje (met een toefje peterselie, graag) te schikken, het aanrecht elke avond blinkend achter te laten.

Ik zat op mijn stoel met mijn pootje in de lucht en zag hoe van dag tot dag de rommel groeide.

En, heel geleidelijk, ontdekte ik dat dit eigenlijk zo erg niet was. Ik stelde vast dat om de zoveel dagen één van mijn gezinsleden zich zelf eraan begon te ergeren en iets aanpakte. En dat voor de rest iedereen het prima vond. Er werd wel eens gesakkerd op de fruitvliegjes (‘Dat krijg je als je etensresten niet meteen opruimt’, kon ik niet nalaten te zeggen.) Of wanneer er iets was zoekgeraakt. (Dan zei ik niets, maar dacht des te meer).

Maar alles samen, eerlijk, er was meer rust in mijn gezin dan wanneer ik als een Inquisiteur van Rust en Harmonie alle rommel meteen liquideerde.

Binnenkort mag mijn been uit het gips. Een stukje van het gips wil ik houden, om op de keukenvensterbank te leggen. Misschien zal het er wat rommelig uitzien, maar ik hou van het verhaal dat het vertelt: dat een mens zo onrustig wordt van het najagen van rust. En dat er in harmonie heerlijk veel rommel mag zitten.

Katie

Steek

Mijn moeder is erg verdrietig. De reden is mijn broer. Hij heeft een buitenechtelijke relatie. Nu zijn vrouw het ontdekt heeft, is niets nog hetzelfde.

We willen het contact met haar zeker niet verliezen. We weten hoe goed zij zorgt voor hun kinderen en hoe lief ze is voor mijn ouders. Voor mij is ze een vriendin geworden. We dachten dat we bij elkaar hoorden en dat doen we ook. Mijn broer liet een serieuze steek vallen en heel ons netwerk ligt in de knoop. Ik heb sindsdien alleen maar contact met mijn schoonzus, niet met mijn broer. Het enige wat ik hoop is dat hij zo snel mogelijk en voorgoed een punt zet achter die nieuwe relatie. Dat doet hij dus niet. Voorlopig? Hij kan niet kiezen. We staan machteloos.

Geluk is broos. Niets is nog wat het was. Wat overeind  blijft, is een beetje hoop en kracht om staande te blijven en er voor mekaar te zijn.

Ruth

Alpa-kusje

Het is algemeen bekend dat Sint-Franciscus goed met de dieren kon omgaan. De vele verhalen over de wolf van Gubbio en de vogeltjes in het woud getuigen daarvan. Maar het zijn toch niet alleen heiligen die een speciale band met dieren hebben. Ook kinderen zijn er graag bij.

Neem nu Lut van 11 jaar. We kregen een WhatsAppberichtje van een goede 20 seconden. Naast het huis van onze dochter Mieke ligt de wei van boer Luc. En die heeft wel heel speciale troeteldieren: een aantal witte alpaca’s met een lange nek.

Hij gaat daar af en toe mee wandelen in het dorp of naar een zomers muziekfestival. Een van die dieren heeft zelfs de naam Jos gekregen, wellicht genoemd naar zijn vader. En in feite zien het er heel verstandige beesten uit.

Op dat filmpje is te zien hoe Lut tegen Jos aan het vertellen is. En we horen de commentaar van kleine Nelle op de achtergrond. Wij horen haar fluisteren: ‘Jos, een kusje!’ Eerst gebeurt er weinig. Het rustige dier kijkt in de camera en weet niet goed wat er moet gebeuren.

Maar na enig aandringen gaat de zachte mond langzaam naar de wang van Lutje toe. Het is alsof het dier erkent dat vriendschap tussen kinderen en huisdieren, ook al zijn dat niet de meest gewone, wel echt kan bestaan.

We volgen het stemmige tafereeltje met arendsogen. We horen nog eens de smekende stem van Lutje: ‘Kusje, kusje’. En dan opeens gebeurt het wonder. De statige alpaca buigt zich wat voorover en zoent Lutje met zachte lippen op de rechterwang.

De betovering duurt maar heel even, maar toch zijn we verwonderd over de gave van het meisje als dierenfluisteraar. Op school moet Lut heel hard haar best doen om het tempo te kunnen volgen. Maar wellicht beschikt ze over heel wat aparte talenten die nog ontwikkeld moeten worden.

En als we dan al aan een school na het lager onderwijs moeten denken, zou er wel iets voor haar weggelegd kunnen zijn in de richting van dierenverzorging. De tijd zal het wel leren, maar de fiere alpaca heeft misschien nu al de weg gewezen.

Jos

 

Hostie

Zoon en zijn vriendin zitten in de periode dat veel van hun vrienden trouwen. Sommigen zelfs voor de kerk.

Op een van die huwelijksvieringen in de kerk gebeurt er opeens iets vreemds, vertellen ze me. Een vriend van het koppel gaat te communie en stopt de hostie in zijn mond. Meteen begint zijn vriendin luidkeels te roepen: ‘Spuw uit, je mag dat niet opeten!’

Geschokt kijken de andere vrienden toe. Mijn zoon vertelt wat er door zijn hoofd ging: ‘Is die jongen misschien niet gedoopt? Of heeft hij zijn communie niet gedaan?’

Ook zijn vriendin ging het in die richting zoeken.

Ik niet. Ik weet meteen wat er aan de hand is: de jongen is allergisch voor gluten.

En dat bleek ook de reden voor de commotie te zijn.

We hebben er samen eens hartelijk om gelachen. En ik vertelde dat we vroeger eerst drie, later één uur nuchter moesten blijven voor we te communie gingen, om Jezus niet te confronteren met onze maaginhoud. En hoe we een bruggetje maakten met het communiebankkleed om de hostie op te vangen als hij per ongeluk zou vallen. Erop bijten of hem aanraken mocht ook niet.

Ze lachen erom. Maar ik vind hun reactie bij de trouw in de kerk al niet veel beter. Hoe vreemd is het dat zelfs jonge mensen zo magisch kunnen denken over de hostie. Natuurlijk is Jezus bij ons als we eucharistie vieren. Maar hij smaakt echt veel lekkerder dan een hostie.

Kolet