Hoop

Vandaag voel ik me blij, gelukkig zelfs. Plotseling is er die gedachte: ‘dit kan niet blijven duren.’ Ik leef al zolang met verbrokkelde relaties die energie vragen van mijn naasten en mezelf. Hoe is het ons gelukt is om de ‘netten te boeten’, beter gezegd onze relaties te herstellen? En kunnen we dit blijven volhouden? Bang voel ik me, bang en gelukkig tegelijk.

‘Alles gaat voorbij.’ Dit is een troostende gedachte. Alle gevoelens komen en gaan. Blijdschap wil ik vasthouden. Verdriet en angst wil ik snel wegduwen. Accepteren wat er is en in het ‘nu’ blijven, kan helpen. Wat ik voel, kan ik verwelkomen. Het is wat het is.

Tegelijk is er een stevige grond die ons draagt, een hand op onze schouder die ons ondersteunt, een dak boven ons hoofd dat ons beschermt. In vrijheid mogen we gaan op onze weg. Gedragen, gesteund en beschermd. Het is een diepe zekerheid die me ontroert. Nooit ben ik alleen. ‘Midden onder u plaats ik mijn woning.’ (Lev. 26,11-12) 

Ruth  

Volhouden

Voor de 2de maal werk ik heel gedreven op 1 van de 4 covid eenheden van ons ziekenhuis. Daarnaast zijn er nog eens 5 intensieve diensten, enkel met covid patiënten.
We maken heel wat mee, nu er te weinig handen zijn om aan elk bed de zorg te kunnen geven zoals we dat gewend waren.
Veel collega’s zijn mentaal en lichamelijk op, anderen zijn uitgevallen door covid.

Al dalen de cijfers, vele mensen worden hard getroffen door dit virus. Zo komen er nu ook patiënten terug van de intensieve eenheid die nog een lange weg te gaan hebben en blijvende letsels overhouden aan hun ziekte. Dit vraagt zeer gespecialiseerde zorg, en dan zwijgen we nog over de psychologische en spirituele noden. 

De verhalen neem je als verpleegkundige mee naar huis. Zoals dat van zomaar een gezin, dat voltallig beademd moest worden. De dochter heeft het niet gehaald. De andere leden van het gezin hebben niet eens afscheid van haar kunnen nemen, ze vernamen het nieuws toen ze wakker werden. Hen wacht nu een lange, zware revalidatie, terwijl ze rouwen om hun kind en zus.
Er zijn geen woorden voor dit verdriet.
Maar ik voel me niet alleen.
Ik weet dat de Heer hier naast mij loopt en me oproept om vol te houden en telkens weer het beste van mezelf te geven.
Ik weet dat ik mag thuiskomen bij mijn gezin, en gesteund word – al is het vanop afstand – door velen die de zorgverleners een warm hart toedragen.

Hou asjeblieft vol. Het wrede spel dat Corona ons oplegt, is dat we pas echt samen kunnen zijn door afstand te houden. Laten we dat spel dan maar spelen, met liefde en creativiteit.
Laten we allemaal kerst en nieuwjaar in heel kleine kringen vieren, en de feestjes uitstellen tot volgend jaar. Laten we àndere, veilige manieren zoeken om dicht bij elkaar te zijn.
Zo kan het kerstekind ook dit jaar geboren worden: in overvolle ziekenhuizen, bij gezinnen die getroffen zijn door covid, bij uitgeputte zorgverleners, bij ons allemaal samen.
Dus haal die kerstversiering maar boven, laat dat licht maar schijnen in de donkerste dagen van het jaar.
Ik wens je al het warme licht toe.
Neem me mee in jullie gebed.

Stephanie

Hulp

‘Wanneer heb je even tijd vandaag, Bran, om de parasol naar beneden te laten?’ Ik stuur een sms’je naar onze oudste kleinzoon van 16 jaar. Want er wordt stormweer voorspeld en alleen mag ik geen te zware dingen meer tillen. Ik hoef niet zolang te wachten op een woensdagnamiddag.

Men ons tweetjes is de klus snel geklaard, uiteraard met een veilig mondmasker. Het blijft toch nog altijd raar dat je de kinderen en kleinkinderen alleen in de tuin kunt ontvangen. Als senioren hebben wij in ons leven wel heel wat geduld geleerd. De bezorgdheid is wederzijds, want ik ben wellicht een dubbele risicopatiënt.

Vorige week hadden wij met onze kinderen een sereen, maar toch ook realistisch gesprek met dokter Annelies, die niet alleen longarts, maar ook psychologe is. Zij deed ons allemaal inzien dat ook dokters geen voorspellingen kunnen doen, omdat alle mensen anders reageren op een behandeling.

Maar toch was dit een verhelderend moment. In elk geval moedigde zij onze plannen aan om in de Allerheiligenvakantie met ons gezin een weekje met vakantie te gaan in een groot huis in de provincie Luxemburg. Wij zullen apart logeren in een B&B, om de afstand en de veiligheid maximale kansen te geven.

De laatste tijd houden wij een beetje angstvallig de cijfers in het oog. Het is toch vreemd dat mensen de regels zo snel uit het oog verliezen. Ondertussen mogen wij in de kerk toch weer zingen op het doksaal, vlakbij het orgel. Niet alleen voor onszelf is dit prachtig. Ook de mensen in de kerk vinden het een meerwaarde voor de viering.

Gelukkig mag en kan ik nog altijd fietsen en mijn computerwerk doen. Reizen met de trein is af en toe een verademing. In de auto rijd ik liever alleen, want daar is de afstand te klein. Maar altijd blijft op de achtergrond toch de vraag, of een verplaatsing nu al of niet noodzakelijk is.

Wij kijken naar de toekomst. Hopelijk komt er snel een vaccin, zodat de afstand met onze kinderen een beetje kleiner kan. Maar eerst moeten wij de griep nog trotseren.

Jos

Ongewenste indringers

Daags voor we op reis vertrekken, hebben we last van ongewenste indringers. Via een of andere kleine opening vinden tientallen mieren de weg naar onze woonkamer. Tussen het inpakken door ga ik nog om een product bij de apotheek en breng ik mijn schoonouders op de hoogte. Terwijl we weg zijn, logeren ze namelijk in ons huis. Niet om op te passen – dat ook natuurlijk – maar om er even tussenuit te zijn.

Eenmaal op onze bestemming ben ik de mieren vlug vergeten. Tot mijn echtgenoot enkele dagen later even naar huis belt. Er blijkt sprake van een heuse mierenplaag. Gelukkig doet mijn schoonmoeder er alles aan om ze onder controle te krijgen. Desondanks slaap ik die nacht slecht en word ik de volgende dag wakker met zeurende hoofdpijn. Ik maak me zorgen: wat als het niet lukt die plaag te bestrijden? Wat als we bij thuiskomst een huis vol mieren aantreffen? We hebben immers daags nadien meteen al bezoek. Van goeie vrienden weliswaar, maar een woonkamer vol mieren, daar zit toch niemand op te wachten? Tientallen doemgedachten en scenario’s door mijn hoofd. Geen wonder dat ik de pijn in mijn hoofd niet onder controle krijg.

Helaas brengt al dat gepieker me zoals gewoonlijk geen stap vooruit. Dus pak ik pen en papier, zoals ik wel vaker doe de jongste weken. Eens zien waar de mieren me brengen als ik mijn gedachten en vooral mijn gevoelens de vrije loop laat en elke vorm van controle laat varen. Ik hoef niet veel en lang te schrijven. ‘Controle’ blijkt al vlug het sleutelwoord. Ik hou namelijk niet van ongewenste indringers. Gelukkig besef ik vrij vlug dat ik op tweeduizend kilometer van huis weinig tot niets kan ondernemen. En dat je zorgen maken over iets wat je niet in de hand hebt, het vakantiegevoel niet ten goede komt.

Beetje bij beetje neemt vertrouwen opnieuw de overhand en verdwijnen de mieren uit mijn hoofd én – zo blijkt enkele dagen later – ook uit ons huis. Bij thuiskomst blijkt alles terug zoals voorheen. Of toch niet helemaal. De mieren zijn dan wel verdwenen en ons huis ligt er, zoals verwacht, kraaknet bij, maar ik ben niet meer zoals voorheen. Zoals dat wel vaker na een vakantie het geval is… Doorgaans heb ik het niet zo voor gasten als we niet thuis zijn. Ook daar zit wellicht mijn controlerende kantje voor iets tussen. Nu echter ben ik dankbaar, want wie weet wat we hadden aangetroffen als ons huis niet bewoond was geweest? Laat die gasten dus maar komen, al verkies ik uiteraard mensen boven mieren… Met een beetje controle is niets mis…

Liselotte

Isaak

Als je graag eens met nieuwe oren naar een bekend Bijbelverhaal luistert, moet je het voorlezen aan kinderen. In de kinderwoorddienst in onze parochie was het verhaal van het offer van Isaak aan de beurt. Na het voorlezen lieten we de kinderen een schilderij van Rembrandt zien met dezelfde voorstelling. Een afbeelding die behoorlijk direct is, met een vastberaden Abraham die zijn hand op de mond van Isaak legt en hem zo achterover duwt voor de fatale snede met het mes. Bah, die papa legt zijn hand op de mond van Isaak en hij heeft niet eens zijn handen gewassen, gruwelt een van de kinderen. Elke tijd kent zijn eigen gevaren, denk ik glimlachend.

Twee andere kinderen vragen zich af waarom Isaak zo stil blijft liggen. Ik zou heel hard weglopen! Maar over één ding zijn alle kinderen het onmiddellijk eens: natuurlijk zou God nooit zoiets van ons vragen! Daar hoef je echt niet aan te twijfelen. Ze weten niet altijd veel te vertellen over God, maar hier zijn ze zeker van. Ze kunnen bijna niet begrijpen dat Abraham zoiets van God durfde te denken.

Daarna bekijken we samen een andere tekening van Rembrandt, die hij vele jaren later maakte, toen hij door het leven getekend en mild geworden was. De engel lijkt hier Abraham en Isaak te omhelzen en met zijn vleugels te beschermen. Abraham houdt het mes in zijn linkerhand en heel ver weg van Isaak, alsof hij hem echt geen kwaad wil doen. En hij houdt zijn hand niet voor Isaaks mond, maar voor zijn ogen: zoiets mag geen kind aanschouwen. We laten drie kinderen beide prenten uitbeelden en dan zien we meteen het verschil: dreiging wordt zorg, in de houding en gebaren van de kinderen.

Of hoe je met een op het eerste zicht gruwelijk Bijbelverhaal toch heel veel zachtheid kunt ervaren.

Kolet

Waak over mij

“Een terugval”, besluit de dokter. “Ik ben zo moe”, zucht mijn oma. Toch kiest ze ervoor om zo goed als het kan wakker te blijven en de strijd voor een tweede keer aan te gaan.

Ik denk aan al die keren dat ze waakte over ons, haar zo geliefde kleinkinderen. En aan al de keren dat ze ook vandaag nog haar slaap laat om ons met al haar warmte te gedenken en beschermen.

De rollen keren zich stilaan om. Zelf zal ze er nooit om vragen, maar in haar ogen lees ik een “waak over mij”. Wat doet het mij verdriet dat ik niet altijd even wakker ben. Om het wonder van ieder moment te aanschouwen. Want ook te midden van oma’s strijd wordt straks een Kind geboren. Zij probeert er nu al een blik van op te vangen. De moeite om wakker te blijven.

Valérie

Een hand om in te knijpen

Ik ben in de winkelwandelstraat met mijn kleinzoon van anderhalf. Opeens klinkt in de verte het geluid van een naderende fanfare. Ik hurk naast hem neer om samen van het vrolijke gezicht en geluid te genieten.

Kleinzoon houdt mijn hand vast terwijl ik vertel over trompetten en bombardons. Hij kijkt met grote ogen toe, zonder een spier te vertrekken. Het geluid van de grote trom dreunt in onze oren en in ons hele lijf. Ik verwacht elk ogenblik dat mijn kleinzoon in huilen zal uitbarsten en zich aan mij zal vastklampen, maar dat gebeurt niet. Met een strak gezichtje volgt hij nauwlettend de passerende fanfare. Alleen merk ik dat zijn kleine handje steeds harder in mijn duim knijpt, als de muziek dichterbij komt. Het wordt een echte bankschroef als de fanfare op onze hoogte is. Daarna wordt zijn greep geleidelijk aan weer losser. Al die tijd heeft hij geen woord gezegd, terwijl hij anders bijna voortdurend babbelt.

God, denk ik, terwijl we naar huis wandelen, zo ben jij ook voor ons. Een hand om in te knijpen als we iets overweldigends meemaken. Als het even allemaal te groot of te veel is. Zodat we daarna weer verder kunnen gaan met leven.

Kolet

Zijn eerste theologische gesprek

Ons driejarig zoontje zijn wereld wordt met de dag groter: spoken, draken, heksen, dinosauriërs… Hij pikt zoveel op, aan mooie dingen, maar ook aan dingen die hem ongelooflijk bang maken. Hij hoort geluidjes als hij in zijn bed ligt, en ‘hij kan heel ver horen, zelfs de dieren van de dierentuin’ en telkens is er het gevaar dat er iets binnensluipt in de veiligheid van zijn kleine wereld, zijn kamer, ons huis.

‘Maar je moet toch niet bang zijn, lieverd. Mama en papa zijn beneden en gaan nergens naartoe. En als mama en papa niet in de buurt zijn, weet je wat, dan zorgt God voor je.’
‘Toch niet hoor, mama’, antwoord hij resoluut. ‘Hoezo niet, jongen?’ ‘Ik ben kindje Jezus toch niet, mama?!’

Die link heeft hij alvast gelegd. Nu zijn geloofwereld nog wat vergroten, zodat hij voelt dat hij eigenlijk wel een beetje als Jezus is, een kind(je) van God, zo ongelooflijk bemind en beschermd. ‘Beveiligd tegen alle onrust’, en zeker die van heksen, spoken en dino’s.

Ellen

‘Ik vergeet je nooit’

Ik sta er telkens opnieuw van versteld hoe spontaan kinderen kunnen zijn en hoe verrassend ze soms uit de hoek komen. Laatst bij het slapen gaan, gaf ik zoals gewoonlijk een kruisje op het voorhoofd van onze zoon, met de gekende woorden: „God zegene en beware je”.

Hij kijkt me aan en zegt: „Mama, binnenkort moet ik geen kruisje meer krijgen, hé?”. „Neen? Hoezo?”, reageer ik verwonderd. En net als hij iets wil zeggen, begrijp ik wat hij bedoelt. Hij begon zopas in het eerste leerjaar en doet dit jaar zijn eerste communie. „Dan krijg ik ‘het brood van Jezus’, hé?”, zegt hij met een grote glimlach. Ik glimlach terug. Zo denkt hij er dus over…

Ik geef hem nogmaals een kruisje op zijn voorhoofd en leg uit dat dit gebaar wil zeggen dat ik wil dat het goed met hem gaat. Hij steekt meteen zijn hand uit en doet hetzelfde bij mij. „Mama, ik zal jou ook nooit vergeten”, zegt hij. „Daar ben ik blij om, jongen”, zeg ik en ik stop hem onder.

Met een gevoel van verwondering verlaat ik de kamer. Het leven hoeft niet ingewikkeld te zijn. Soms maken wij het moeilijk. De eenvoudigste woorden en gebaren zijn vaak de mooiste. En die moeten we bewaren, voor altijd.

Liselotte

Loslaten

Wat gaat de tijd snel. Alweer elf dagen ver in het schooljaar. Na drie weken vakantie, lekker cocoonen aan de Nederlandse kust, is het toch wennen. De oudste gaat naar de eerste kleuterklas, maar heeft nog dezelfde lieve juf als in zijn instapklasje. Ze zijn maar met negen, een luxe in deze tijd. Dus ik ben er nogal gerust in. Hoewel… Als hij weent als ik hem afzet, en me nog ‘een zoentje en een knuffel’ wil geven en wat onwennig en beteuterd staat te kijken, ben ik toch bezorgd: is hij wel gelukkig? Vindt hij zijn weg? Praat hij daar ook honderduit tegen iedereen? En vinden ze dat soms niet te vervelend, te vermoeiend?

Ook de jongste heeft het moeilijk. Blijkbaar huilt ze anderhalf uur als ik haar afzet aan de kribbe. Oei, is dit het leven dat ik wil, haar hier zo achterlaten, moederziel alleen, terwijl ik ga werken? Ooit zal ze wel ontdekken dat haar moeders-ziel haar nooit alleen laat, en haar hart breekt als ze haar zo hoort huilen tot buiten. Maar nu…

Elke dag opnieuw, hen letterlijk loslaten. Hun eigen weg laten gaan, zoeken, met vallen en opstaan. En tegelijkertijd er op vertrouwen dat ze nooit moederziel alleen zijn, maar er altijd Iemand is die hen nooit los zal laten en waakt. Tot ik hen weer ’s avonds bij de hand kan nemen en terwijl ik hen daarna bij de hand hou.

Ellen