Kostbaar is gratis

Al fietsend met de kinderen naar school passeren we een huis met een oranje bank ervoor. “Maak bank-contact,” staat er, “en eet een appeltje”. Een rijk gevulde mand met pas geplukte appelen staat naast de bank. Kijk, daar word ik nu eens blij van!

Enkele dagen later staan er een straat verderop papieren zakjes gevuld met noten op de stoep. Een kaartje met “gratis, laat het je smaken!” maakt het geheel compleet.
Zelf zetten we de voorbije maanden geregeld overschotten uit onze moestuin bij onze brievenbus voor de passanten. Mensen belden bij ons aan om te vertellen wat ze zouden meenemen, maakten een praatje of zwaaiden van op hun fiets naar ons. Iemand bracht druiven uit eigen wijngaard mee als ‘ruil’. Het bracht zonder veel moeite een gemoedelijkheid en gezelligheid met zich mee.

Het verhaal van de koopman en de kostbare parel hoef je soms niet ver te zoeken. In onze buurt schitteren er kleine pareltjes langs gevels en stoepen. Het brengt warmte nu de dagen korter en kouder worden. Kostbaar hoeft niet duur te zijn. Meestal is het gewoon…gratis.

Sylvie

Advertenties

Opvoeden op vakantie

Een toevallige ontmoeting in een tussenstophotel op weg naar onze vakantiebestemming. Bij het ontbijtbuffet zitten er Belgen aan het tafeltje naast ons: papa, mama, een schattig kleuterdochtertje en een zoon die volop in de melktandenwisselfase zit. Ze vertellen hoe ver ze nog moeten en dat ze hopen op een reis zonder files. Met de kinderen achterin… Mijn man en ik knikken begripvol.

Jullie doen het lekker rustig met zijn tweetjes, dat is genieten! zegt de mama een beetje jaloers.

Met de kinderen is het ook genieten, zeg ik. Ik denk wel eens met weemoed terug aan onze volle achterbank.

De mama knikt. Natuurlijk, zegt ze. Maar toch… Er is altijd iets. Ze wijst naar haar zoon. Hij wilde per se twee chocoladekoeken, en natuurlijk heeft hij na één koek geen honger meer… Ik vind dat zoiets niet kan en dus zeg ik er wat van.

Opvoeden stopt nooit, ook niet op vakantie, lach ik.

Ach, op vakantie mag het toch wat minder, probeert mijn man. Hij knipoogt naar de jongen.

Die lacht zijn ontbrekende melktanden bloot.

Ach ja, schokschoudert de mama, het is tenslotte vakantie!

We lachen erom als we verder reizen.

Zal het ons ook lukken om ons wat minder te ergeren of te stressen, omdat het vakantie is?

In de kathedraal zien we een kapiteel met een beeld van Abraham, die met uitgestrekte armen een doek openhoudt, zodat alle dode mensen van goede wil in zijn schoot kunnen rusten. Ik krijg er meteen een heel ontspannen gevoel van.

Waarom zou je eerst moeten sterven om te mogen rusten in de schoot van Abraham? Deze vakantie neem ik alvast een piepklein voorschotje. Dat vindt Abraham vast wel goed.

Kolet

Het paradijs

‘Mag Pauline even bij jullie zitten, anders zit ze daar zo alleen’, vraagt de verzorgster van het rusthuis vriendelijk als ik bij mijn moeder op bezoek ben. We zitten prinsheerlijk in de warme schaduw op het terras van de leefruimte, met zicht op al wie naar binnen en naar buiten gaat. Ideaal voor mijn moeder die graag commentaar levert.

Pauline is een van de mensen die mijn moeder samenvat onder de noemer ‘die weet het allemaal niet meer’. Zelf drijft ze ook steeds verder op die rivier, sinds ze onlangs haar gebit spoorloos maakte. Maar Pauline is al wat verder gevaren. ‘Weet gij wat ik hier moet doen?’ vraagt ze vriendelijk maar bezorgd. ‘Gewoon genieten van de buitenlucht en het mooie weer’, antwoord ik. ‘Maar dat is fijn’, zegt ze onmiddellijk, met een stralende glimlach.

Pauline kijkt genietend rond. ‘Kijk toch eens hoe schoon die bomen in blad staan’, zegt ze. Ze vertelt waar ze gewoond heeft, als kind en als volwassene. ‘Ik doe nog alles zelf’, meent ze. ‘De was, eten koken… Ik heb alleen een poetsvrouw voor een halve dag in de week.’ Mijn moeder slaat haar ogen ten hemel. ‘Die denkt dat ze nog thuis woont’, zegt ze, te luid.

Even later worden binnen de tafels gedekt en schuiven de eerste bewoners aan voor het eten. ‘Bijna etenstijd’, zeg ik. ‘Echt?’ zegt Pauline vol oprechte verbazing. ‘Gaat gij hier eten?’ ‘Gij ook’, leg ik uit. ‘Dat hoeft ge allemaal niet meer zelf klaar te maken. Ge moogt gewoon aanschuiven.’

‘Maar dat is niet te geloven, dat is het paradijs!’ roept Pauline uit. Mijn moeder verzamelt haar bezittingen in haar rollatormandje en rolt naar binnen. Een verzorgster komt Pauline halen.

Verwardheid heb je in soorten. Als ik mag kiezen, ga ik voor de gulle vorm van Pauline. Want ik wil graag altijd en overal het paradijs kunnen zien.

Kolet

Iedereen mag het horen

Sinds een half jaar ongeveer is er een nieuwe misdienaar bij ons in de kerk. Een kleine jongen met een mentale beperking heeft de groep vervoegd. Er kwamen wat aanpassingen. Zo komt zijn misdienaarskleed een beetje hoger van de grond om valpartijen te vermijden. Bij de intredestoet loopt er altijd een ervaren misdienaar naast hem. De grote kaars is een kleiner exemplaar dat gemakkelijker in de hand ligt. Water en wijn worden apart aangebracht, zodat hij het kannetje met twee handen kan vasthouden.

Hoogtepunt van de zondagsviering zijn de twee slagen op de gong. Ruim op tijd staat hij klaar met de hamer in aanslag. Een van de oudere misdienaars staat naast hem zodat de slagen op het juiste moment gebeuren. De gong wordt netjes voorbereid. De eerste slag is er altijd ‘boenk’ op: de gong slaat net niet tegen de muur. De aanwezige kerkgangers hebben het geweten. En gelijk heeft hij: Iedereen mag het horen!

Els

 

Zondag

Vandaag bakken we uitzonderlijk geen pannenkoeken op woensdag. Dat is anders vaste prik, al sinds mensenheugenis. Het begon ooit met hongerige kinderen die op woensdag zwemles hadden. Later nam de op kot wonende zoon op woensdag soms een paar vrienden mee. Pannenkoeken is gezelschapseten. Ook kleinzoon rekent op woensdag op zijn pannenkoeken, waarbij hij eerst meehelpt met het roeren van het deeg: vanillesuiker erin strooien en de klonters wegwerken.

Maar vandaag dus geen pannenkoeken, ook al is het woensdag. Om de pil te vergulden mag kleinzoon ‘kapotte eieren’ maken en omroeren in de pan. ‘Eitjes!’ roept hij uit. ‘Is het vandaag dan zondag bij jullie?’ Bij hem thuis krijgt hij elke zondagochtend een lichtgekookt eitje.

Het leven van een kleuter zit boordevol afspraken en regels van grote mensen. Hij probeert er wijs uit te worden en beseft maar al te goed dat hij er vaak niets aan kan veranderen. Speelgoed mee opruimen, niet meer dan één filmpje, schoentjes uit als je in de zandbak hebt gespeeld, wantjes aan als we gaan fietsen. Op woensdag naar oma, op zaterdag niet naar school. Hij doet zijn best om het te onthouden en er zelf vat op te krijgen. Maar soms is het toch weer anders: dan is er op vrijdag geen school. Of dan zijn er eitjes op woensdag.

En is het dus eigenlijk zondag. Wat heerlijk dat daar niet meer dan een eitje voor nodig is.

Kolet

Deugniet

Het valt niet mee om me te meten met onze kleinzoon Naud, die straks 10 jaar wordt. Hij heeft een sterk balgevoel en ik had hem een partijtje minigolf beloofd. Uiteraard met de fiets reden we naar het parcours dat 18 hindernissen telt.
‘De jongste mag beginnen,’ gaf ik sportief toe. En aanvankelijk hielden we nogal gelijke tred, tot hij ‘een hole-in-one’ maakte. Was het nu zuiver geluk of toch niet? Voor mij was het lang geleden.
De spelregels pasten we met enige soepelheid toe en het was vooral Naud die zich telkens over mij ontfermde. Wij verschillen precies 60 jaar en dat vindt hij wellicht een serieuze handicap.
Na het spel om ter minst strafpunten – 72 voor hem en 95 voor mij – zou de verliezer trakteren. In de cafetaria koos hij voor chocomelk, maar dan viel zijn oog op een soort van kermisattractie waar je voor 2 euro met een kraantje een verrassing kon wegplukken.
‘Dat is verloren geld,’ stopte ik hem af, ‘mogelijk het begin van een gokverslaving.’ En hij kreeg zijn zin niet. ‘Dan ga ik niet meer met je mee,’ begon hij te zeuren. Ik dronk rustig mijn glas leeg en wandelde dan weer naar onze fietsen. Ik was wel benieuwd hoe hij zou reageren.
Net toen ik wou vertrekken, zag ik in een flits zijn ondeugende snoetje achter het muurtje. En zo reden we verder. ‘Een ijsje lust je toch wel op deze warme dag?’ Ja, we kwamen voorbij de kinderboerderij en lieten het ons hartelijk smaken.
‘Ik weet nog een leuke plek waar we langskomen, een speelplein.’ Ook dit voorstel werd in dank aanvaard, maar toch voelde hij zich al wat te groot om in het zand te spelen. Een zakje chips van de Wereldwinkel kon er ook nog wel bij.
‘En nu kunnen we langs het Tekbroek naar huis,’ stelde ik hem voor. ‘Neen, dat is een enge weg door een dichte en donkere laan van bomen,’ protesteerde hij. Al bij al heeft hij een klein hartje, want op KSA-kamp is hij nog maar één keer geweest. ‘Goed, dan maar langs de fietsostrade naast de spoorweg.’

Fietsen met een kleinzoon zou vaker moeten kunnen.

Jos

Vind jij mij mooi?

Ik heb twee primula’s gekocht, om de komst van de lente een beetje te forceren. Ze staan in ons stadstuintje te pronken: een roze en een paarse.
‘Mooie bloemetjes, hè?’ vraag ik aan kleinzoon. Hij knikt en bestudeert de primula’s.
‘Ik vind deze de mooiste’, zegt hij beslist. Hij wijst de roze aan.
Maar dan komt er een zorgelijk trekje op zijn gezicht. Hij kijkt nadenkend naar de paarse bloem.
‘Vind jij dan die de mooiste, oma?’ vraagt hij.
Ik knik gul. ‘Ja hoor, ik vind die paarse de mooiste.’
Zijn gezichtje klaart op en hij huppelt weg, zijn bal achterna.
Ook bloemen willen mooi gevonden worden. Ook bloemen kunnen zielig zijn.
Maar niet met kleinzoon in de buurt.

Kolet