May the Force be with you

Er zijn zo van die dingen die in ons gezin genetisch bepaald zijn. Zoals supporteren voor Racing Genk. Of een voorliefde voor teckels. Of het houden van Star Wars-films. Dat laatste komt vooral van vaderszijde. Toen ik tijdens onze eerste date samen vertelde dat ik nog nooit een Star Wars-film had gezien, zag ik in de ogen van mijn man de liefde ter plekke bekoelen.

‘Daar gaan we snel verandering in brengen’, verkondigde hij stellig.

Nog geen week later hadden we de hele saga gezien. En werden we een koppel. Of het één een voorwaarde was voor het ander? Ik zou er mijn hand niet voor in het vuur durven steken dat het niet zo was…

Het is alvast een voorliefde die graag wordt doorgegeven. Zo komt het dat we ons met het hele gezin (inclusief teckels) op een warme woensdagavond in de zetel nestelen om Star Wars 6 te kijken.

Mijn dochter, die eigenlijk nog wat jong is om de ondertitels te kunnen lezen, merkt ineens iets op wanneer de strijders in de aanloop van het gevecht elkaar het befaamde zinnetje ‘May the Force be with you’ toewensen:
‘Daar staat een fout. ‘Kracht’ is toch geen naam.’
‘Euhm, neen’, antwoord ik, ‘waarom vraag je dat?’
‘Dan mag je ‘Kracht’ toch niet met een hoofdletter schrijven?’
‘Hehe, slim bedacht!’ denk ik.

Zoonlief is het daar echter niet mee eens.
‘Tuurlijk is ‘Kracht’ met een hoofdletter, God schrijf je toch ook met een hoofdletter?’, draait hij met zijn ogen.
‘Dus de Kracht in Star Wars is God?’ vraag ik hem.
Een korte bevestigende knik wordt gevolgd door een blik die zegt ‘en laat me nu verder kijken!’

Gelukkig wint vandaag het goede van het kwade in de film en kunnen we met een gerust gemoed gaan slapen. Zijn opmerking blijft echter door mijn hoofd waaien.

‘May the Force be with you,’ fluister ik zachtjes in zijn oor wanneer ik hem een kus geef voor het slapengaan.
Twee pretoogjes kijken me schalks aan.
‘May the Force be with you, mama!’

En ik denk. En ik hoop. En ik vertrouw. Op die Kracht die ons altijd wil vergezellen.

Liesbeth

Kleuter af

‘Mama, de Sint, de paasklokken en de tandenfee, zijn dat eigenlijk allemaal papa en mama?’ vraagt kleinzoon op een onbewaakt moment.

Hij wordt van de zomer negen, en heeft die verklaring al vaak van vriendjes gehoord. Maar tot nu toe vonden zijn onwankelbaar geloof en zijn levendige fantasie altijd weer een oplossing voor de opduikende problemen en ongerijmdheden.

‘Wat denk je zelf?’ antwoordt mijn dochter voor de zoveelste keer.

‘Dat het papa en mama zijn’, geeft kleinzoon ditmaal toe.

Maar als zijn mama het uiteindelijk bevestigt, stuikt opeens zijn wereld toch in elkaar. Hoe kan dat toch? Hij heeft er zolang in geloofd! Hij zag toch zelf dat de Sint zijn wortels en tekeningen meenam! De Sint was zelfs op bezoek geweest in de buurt. En er lagen toch echt eitjes in de tuin van oma! Beetje bij beetje dringt het besef tot hem door. Het voelt als een groot verlies. Met dikke tranen.

‘Ik wou dat ik weer kleuter was’, huilt hij. Een stuk betovering is voorgoed verdwenen en dat beseft hij haarscherp. Dat kan zelfs de troost van zijn mama niet helemaal goedmaken.

Een week later kan hij er rustig over praten. ‘Jullie legden die eitjes in de tuin, hè oma’, zegt hij.

Ik knik. ‘Weet je nog dat je het zo raar vond dat er dezelfde plakband op dat fluitje zat als die ik in mijn la heb liggen?’

Hij lacht samenzweerderig.

‘We doen gewoon verder, hè’, zeg ik. ‘We spelen samen het spel van Sinterklaas en Pasen. Dat is ook leuk. Ik leg nog elk jaar snoepjes in opa’s schoen en dat vindt hij nog altijd lief.’

Kleinzoon lacht. De verandering van rol opent nieuwe perspectieven. En cadeautjes krijgt hij net zo goed.

‘En niks verklappen aan je nichtje binnenkort!’ vraag ik hem.

‘Natuurlijk niet!’ belooft hij stellig.

Groot worden is een beetje verliezen en een beetje winnen. Er is geen weg terug.

Kolet

Mantel der liefde

„Of ik hem nog een keer wil toedekken?”, vraagt onze inmiddels 13-jarige zoon wanneer het bedtijd is. Dat wil ik met plezier doen, want dat is toch wel al even geleden… Terwijl ik hem onderstop, vertel ik hoe ik hem als baby elke avond instopte, in de hoop dat hij dan rustig zou slapen. „Dat is ook zo”, zegt hij. „Als jij mij toedekt, slaap ik altijd beter.” 

De volgende ochtend verschijnt hij opgewekt en uitgeslapen aan de ontbijttafel. „Het heeft gewerkt”, zegt hij overtuigd. Mijn dag kan niet meer stuk en meteen verdwijnt het nog ietwat wrange gevoel van de avondlijke ruzie die broer en zus een paar dagen geleden nog hadden naar de achtergrond. Toen was instoppen geen optie. Niet alles valt immers toe te dekken, ook niet met de ‘mantel der liefde’. 

„Of ik hem nog een keer mag toedekken?”, vraag ik onze zoon ’s avonds. „Ja hoor”, glimlacht hij. „Het is anders wanneer jij dat doet…” „Hoe bedoel je?”, vraag ik nieuwsgierig. Over die vraag moet hij toch eventjes nadenken. „Gewoon anders… het is de combinatie van 99 % liefde en 1 % techniek. Ja, dat is het!” 

„Waw, dat zeg je mooi”, reageer ik blij verrast. En ik bedenk dat het klopt. Ik pas inderdaad geen bijzondere methode toe, ik denk er zelfs niet eens bij na, laat staan dat ik die zou beginnen analyseren. Wanneer je iets met liefde doet, hoef je er zelfs niet over na te denken. Je doet het gewoon. En weet je wat het mooie eraan is? Met je hart kunt niets fout doen. Een gebaar van (oprechte) liefde klopt altijd, zoals een moederhart wanneer ze haar kind ’s avonds onderstopt of, in het geval van onze tienerzoon, nog een keer mag onderstoppen. In dit geval met een letterlijke ‘mantel der liefde’.

Liselotte

Lichthappers

We zitten in een kring op de grond: vijf zesjarigen en ik. We hebben net samen geluisterd naar het Godly Play kerstverhaal en genieten nu van het licht van de profeten, de heilige Familie, de herders en engelen, de koningen en Christus.
Dan wordt het tijd om het licht te ‘veranderen’. Met de kaarsendover worden de lichten één voor één ‘veranderd’: “Het licht wordt dunner en ijler, tot je het niet meer kunt zien, maar dat betekent niet dat het er niet meer is, dat betekent alleen maar dat je het niet meer kunt zien.”
Geen kind dat hier een vraagteken bij plaatst. Geen kind dat zegt: ‘Je hebt de kaars gedoofd, het licht is weg.’ Nee, ze ruiken en ‘zien’ het licht en proberen het zelfs te proeven. De hele advent hebben we al paarse en roze lichten veranderd. Maar deze keer is er protest wanneer ik bij de witte Christuskaars kom.
‘De witte kaars moet altijd blijven branden!’ zegt een meisje beslist.
‘Ze blijft altijd branden in jouw hart’, geef ik het correcte antwoord – en zie meteen aan hun gezichten hoe fout het is. Dit antwoord uit de taal van volwassenen is niet hun antwoord.
‘Ik vraag me af hoe we het licht altijd kunnen laten branden’, verbeter ik mezelf, en zeg verder niets meer. De stilte is diep, met alleen maar dat laatste, dansende vlammetje.
‘Als we het licht veranderen, blijft het in de klas’, denkt een jongen hardop. ‘Ik wil het meenemen naar huis.’
‘Maar hoe dan?’ vraag ik, en ik voel me even Nicodemus. Hoe kun je onzichtbaar licht mee naar huis nemen? Het is al net zo gek als opnieuw geboren worden. Maar de kinderen weten de weg.
‘We kunnen het opeten!’ zegt een meisje.
‘Dat zullen we doen’, knik ik, ‘Zal ik het nu veranderen?’
Daar zitten we dan, 6 lichthappers in het schemerdonker. Spel en diepe ernst omhelzen elkaar.
Maar het is niet genoeg.
‘Ik wil het niet alleen in mijn mond, ik wil het ook in mijn buik’, zegt een jongen.
‘En hoe moet dat dan?’ vraagt Nicodemus in mij.
‘Makkie’, lacht de jongen, ‘langs mijn navel!’
En daar gaan alle truitjes tien centimeter omhoog – deze keer doe ik niet mee. Een brug te ver voor die oude schriftgeleerde.
Maar mijn ogen drinken, mijn hart wordt verzadigd, mijn hoofd zit vol licht.
En ergens wordt een Kind geboren.
Wat toen gebeurde, is ook nu.

Katie

De kerstboom in november

‘Mama? Wanneer gaan wij eigenlijk onze kerstboom zetten?’ We zijn net de brandende lichtjes van kerstboom nummer 3 tegengekomen op onze wandelroute en de blauwe ogen van mijn eerstgeborene kijken me verwachtingsvol aan. Terwijl we over de donkere straat sjokken met onze kleine teckel, schiet ik in de lach bij het horen van deze vraag. ‘Het is half november, we gaan nu toch nog geen kerstboom zetten?’ roep ik uit.

De blauwe ogen kijken me niet overtuigd en zelfs licht verwijtend aan. ‘En waarom niet?’ Ik sloof me in mijn antwoord uit met alle goede redenen die ik kan bedenken:

– het is nog maar november,
– Sinterklaas is nog niet geweest,
– de advent is zelfs nog niet begonnen,
– het is 15 graden buiten,
– de pompoenen liggen nog als versiering bij de voordeur,
– …

‘Tja, dat is bij die andere mensen die hun boom wel al hebben staan toch ook zo?’ riposteert mijn kleine wijsneus. Daar heb ik niet meteen van terug… Maar ik houd voet bij stuk: die kerstboom komt er nog niet. Punt. Aan. De. Lijn.

Na een week ostentatief kerstbomen tellen op de achterbank van de auto is mijn standvastigheid serieus op de proef gesteld. De volgende zinsnede doet me finaal zwichten: ‘Ja maar mama, je moet dat ook niet voor ons doen, maar voor de andere mensen hé! Wij worden toch ook blij van al die lichtjes die we zien!’ Potverdikke. Ze weten mijn zwakke plekken toch te vinden.

En zo komt het dat ik op een zonovergoten zaterdagochtend in november de kerstboom van de zolder haal. Wanneer ik ’s avonds mijn jongste dochter opgekruld naast de versierde boom betrap met het kerstverhaal in haar handen, moet ik toch even glimlachen.

Het is waar. Die kerstboom in november? Ik word er zowaar gelukkig van.

Liesbeth

Dank u wel

Kleinzoon en ik zijn in het winkelcentrum op zoek naar vetbollen voor de vogeltjes. In de ene na de andere winkel vangen we bot. Blijkbaar is vogelvoer een seizoensproduct en zijn wij rijkelijk laat. De mezen in ons tuintje rekenen nochtans op ons en dus zoeken we verder.
In de volgende winkel vraag ik het netjes aan een winkelmevrouw. ‘Heeft u ook vogelvoer, van die vetbollen om op te hangen in de tuin?’
De mevrouw kijkt op van de doos die ze bezig is uit te pakken. ‘Nee, dat verkopen wij hier niet’, zegt ze.
‘Ok, dank u wel’, antwoord ik, terwijl ik me al omkeer om weer naar buiten te gaan.
Maar kleinzoon zegt luidkeels: ‘Oma, waarom zeg je dank u wel als die mevrouw geen vogelvoer voor ons heeft? We hebben toch niks gekregen? Dan hoef je toch niet dank u wel te zeggen?’
Ik zwijg perplex en zie in mijn ooghoeken de winkelmevrouw grijnzen. Kleinzoon heeft een punt. Zijn vragen worden met de dag pertinenter en moeilijker te beantwoorden. Maar deze keer ziet hij het toch fout, vind ik.
‘Die mevrouw heeft mij een vriendelijk antwoord gegeven’, leg ik uit. ‘En dus heb ik wel iets gekregen. En daar kun je dan ook voor bedanken.’
Kleinzoon denkt na en zwijgt terwijl we naar de volgende winkel sjokken, waar we uiteindelijk toch vogelvoer vinden. Beleefdheid en vriendelijkheid mogen grenzeloos zijn. Dat kun je niet vroeg genoeg leren.

Kolet

Kerststal

‘Het kindje Jezus ligt nog niet in de kribbe’, constateert mijn kleinzoon.
Ik knik. ‘Dat mag jij zoals elk jaar doen op kerstavond’, zeg ik. Ik geniet al van tevoren van de ernst waarmee hij zich als jongste van de familie jaarlijks van zijn belangrijke taak kwijt.
Maar kleinzoon gaat niet mee in mijn kerstvervoering. ‘Waar staan die anderen dan nu al naar te kijken?’ vraagt hij schamper.
Hij heeft gelijk. Het ziet er behoorlijk idioot uit.
Maria kijkt met gevouwen handen naar de lege voederbak, terwijl Jozef bijlicht met zijn lantaarn. De herders staren allemaal naar hetzelfde lege punt. Zelfs de koningen komen in de verte al aangeschuifeld met hun blik naar de kribbe zonder Jezus.
Alleen de schapen grazen zoals altijd vrolijk verder. En de engel kijkt naar ons, dat is altijd raak.
‘Ze moeten nog even wachten tot Kerstmis’, zeg ik.
Kleinzoon is duidelijk geen kleuter meer. Hij vindt het raar als mensen staan te kijken als er niks te zien is. Opgroeien is soms heel ontluisterend.
Maar als hij even later helemaal opgaat in het verhaal dat ik hem voorlees, ben ik weer gerustgesteld. En ook als hij daarna een strijd op leven en dood uitvecht met twee van zijn vliegtuigjes.
Zien wat onzichtbaar is, hij kan het nog. Hopelijk raakt hij dat nooit helemaal kwijt.
Met Kerstmis zal hij vol overgave het kindje in de kribbe leggen. Zodat iedereen met eigen ogen kan zien waar hij of zij op wacht.

Kolet

Wisselen

Ik lees mijn kleinzoon een grappig verhaal voor over een draak en een prinses. De prinses houdt de draak gevangen en laat hem in zijn eentje alle vervelende huishoudelijke klusjes doen. Uiteindelijk ontsnapt de draak en vliegt weg naar de bergen.

Kleinzoon fronst zijn voorhoofd. ‘Dat is geen goed einde’, zegt hij deskundig. ‘Want als er nu soldaten komen, kan de draak de prinses niet meer verdedigen.’

‘Hoe zou jij het verhaal dan laten aflopen?’ wil ik weten.

Daar hoeft hij niet over na te denken. ‘Ze kunnen die klusjes toch samen doen’, zegt hij. ‘De prinses kan afwassen en de draak kan de vloer poetsen. En als ze het beu zijn, moeten ze gewoon wisselen!’ Hij snapt niet dat de auteur van het verhaal dat niet zelf bedacht kreeg.

Kleinzoon levert weer een oplossing voor heel wat problemen. Ben je vastgelopen in je dagelijkse bezigheden? Zie je geen uitkomst meer? Loop je aan tegen een collega die de kantjes eraf loopt of een partner die geen werk ziet? Gewoon even wisselen. Wie weet lukt het dan wel om verder samen te blijven doen. Het is de moeite waard om het uit te proberen.

Kolet

Omhoog kijken

Het is Lichtmisviering. Ouders met kleine kinderen zitten op de eerste rijen van de kerk, juist waar anders nooit iemand zit. Bij de start van de viering lees ik de mededelingen voor en mijn neefje van 3,5 wuift voorzichtig, blij dat hij mij herkent. De viering is kleurrijk en geanimeerd. Bij de schuldbelijdenis en de voorbeden komen ouders aan het woord. Vooraan staat een mooie boom die heel wat aantrekkingskracht uitoefent op het jonge volkje. Hier en daar gaat er eentje op verkenning, altijd tijdig teruggehaald door mama of papa. Andere kinderen kijken rond en zijn nieuwsgierig waar het geluid van de gong vandaan komt. Na de viering bij de kleine receptie stelt mijn neefje een belangrijke vraag: ‘Maar wie heeft die Jezus daar gehangd?’ Hij wijst naar de grote Christus op kruis die boven het koor hangt. Een mooie vraag. Misschien moeten wij soms ook wat meer omhoog kijken?

Els

Isaak

Als je graag eens met nieuwe oren naar een bekend Bijbelverhaal luistert, moet je het voorlezen aan kinderen. In de kinderwoorddienst in onze parochie was het verhaal van het offer van Isaak aan de beurt. Na het voorlezen lieten we de kinderen een schilderij van Rembrandt zien met dezelfde voorstelling. Een afbeelding die behoorlijk direct is, met een vastberaden Abraham die zijn hand op de mond van Isaak legt en hem zo achterover duwt voor de fatale snede met het mes. Bah, die papa legt zijn hand op de mond van Isaak en hij heeft niet eens zijn handen gewassen, gruwelt een van de kinderen. Elke tijd kent zijn eigen gevaren, denk ik glimlachend.

Twee andere kinderen vragen zich af waarom Isaak zo stil blijft liggen. Ik zou heel hard weglopen! Maar over één ding zijn alle kinderen het onmiddellijk eens: natuurlijk zou God nooit zoiets van ons vragen! Daar hoef je echt niet aan te twijfelen. Ze weten niet altijd veel te vertellen over God, maar hier zijn ze zeker van. Ze kunnen bijna niet begrijpen dat Abraham zoiets van God durfde te denken.

Daarna bekijken we samen een andere tekening van Rembrandt, die hij vele jaren later maakte, toen hij door het leven getekend en mild geworden was. De engel lijkt hier Abraham en Isaak te omhelzen en met zijn vleugels te beschermen. Abraham houdt het mes in zijn linkerhand en heel ver weg van Isaak, alsof hij hem echt geen kwaad wil doen. En hij houdt zijn hand niet voor Isaaks mond, maar voor zijn ogen: zoiets mag geen kind aanschouwen. We laten drie kinderen beide prenten uitbeelden en dan zien we meteen het verschil: dreiging wordt zorg, in de houding en gebaren van de kinderen.

Of hoe je met een op het eerste zicht gruwelijk Bijbelverhaal toch heel veel zachtheid kunt ervaren.

Kolet