Pakjes

‘Mag ik dit jaar ook meedoen?, vraagt Nelle van elf jaar. Zij is tot hiertoe de jongste van de kleinkinderen. En vroeger hoorde je twaalf te zijn om de kinderschoenen te ontgroeien en bij de jongvolwassenen te komen. Maar dit jaar hadden we ons laten vermurwen en zo kon ook zij op zoek naar een pakje voor haar ‘mystery guest’.

Het komt er dan op aan om na de anonieme online trekking voor je partner op het nieuwjaarsfeest een passend geschenk te vinden. Tips mogen wel via mail gegeven worden, zolang het element verrassing maar blijft spelen. En dan moet je natuurlijk ook nog een cryptische omschrijving bedenken.

Maar zelfs de kinderen kunnen er al aardig mee overweg. Meestal gaan zij op zoek via webshops. Daar zijn ze heel sterk in. Ook al heb je enkele maanden de tijd, het gebeurt toch nog dat een pakje uit het buitenland niet op tijd aankomt. En dan moet je het stellen met een tegoedbon. Maar ook dat kan de pret niet bederven.

En zelfs als Joachim, de vriend van Marie, moet studeren en er niet bij kan zijn, wordt er voor hem gezorgd. Uiteraard beperken wij het budget van de studenten en gaan we niet hoger dan 20 euro. En daarvoor zijn al heel wat originele artikelen te vinden. Zoals onze notenkraker, die al jaren zoek was.

Het origineelste en meest emotionele cadeau was eigenlijk niet verpakt. Rose en onze Filip verwachten hun eerste kindje, een zoontje tegen half april. En ons Mieke is de enige van onze kinderen die nog geen meterschap kon opnemen. Ze had van bij de aankondiging al te kennen gegeven dat zij dat wel zag zitten.

In haar pakje zat niet alleen een scan van het ongeboren kindje, maar ook een heel kleine baby-outfit, samen met een gelijkaardig T-shirt van ‘Team Mieke’. Met haar drie dochters zal zij ons zevende kleinkind op een passende wijze verwennen.

Met het vredevolle lied, ‘Dona nobis pacem’, konden wij dit ontroerende feest afsluiten en genoten wij met volle teugen van de originele nieuwjaarsbrieven van de oudere jeugd. En zij wellicht ook.

Jos

India

‘Jullie hebben wel veel spullen uit India’, merkt kleinzoon op.
Hij heeft gelijk. Er ligt een loper op tafel, er staat een doosje op de kast en nog een beeldje op de vensterbank.
‘Wij zijn een paar keer in India geweest’, leg ik uit. ‘Het is een heel mooi land. Jouw papa en mama zijn er trouwens ook geweest, nog voordat jij er was.’
Hij knikt. Ook hij heeft al vaak de verhalen gehoord en de foto’s gezien.
‘Ik weet nog hoe fijn het daar was. Zelfs toen ik in de buik zat, heb ik dat al gevoeld’, vertelt hij.
Ik schiet in de lach. Zijn ouders waren in India al jaren voordat er van hem sprake was.
‘Je bent niet langer dan negen maanden in de buik, hoor’, zeg ik.
Maar hij weigert toe te geven. En wie ben ik om hem tegen te spreken?
Als je iets maar vaak genoeg hoort vertellen, is het op de duur toch net alsof je er zelf bij bent geweest?
En wie kan zich echt voorstellen dat er een tijd was toen je er helemaal nog niet was? Waarom zou je dan niet als een piepkleine kiem alvast in de buik van je mama wonen?
In het verlangen van zijn ouders en in onze hoop op kleinkinderen ooit, was hij er hoe dan ook toen ook al bij.
Kleinzoon heeft gelijk, zoals bijna altijd.

Kolet

Sneeuw

We wachten op sneeuw. Al dagen wachten we op sneeuw. Verwachtingsvol bekijken we dagelijks het weerbericht en zeggen we: ‘mja, 30 procent kans… misschien morgen!’ Elke avond wordt zorgvuldig gecheckt of de sneeuwbotten en de handschoenen nog bij elkaar liggen.

De natuur houdt echter weinig rekening met onze hoopvolle verzuchtingen en de dagen rijgen zich sneeuwloos aan elkaar… Langzamerhand neemt de frustratie toe en het vertrouwen in de weergoden af. De beelden van sleeënde kinderen in de Ardennen steken de kinderen de ogen uit.  We zijn het allemaal zo langzamerhand beu dat er zoveel dingen zijn waar we zelf geen vat op lijken te hebben, dat ik het baalgevoel van de kinderen maar al te goed begrijp.

Alle sprankeltjes hoop op een maagdelijk wit tapijt werden vanochtend door de jongste dochter genadeloos de kop ingeduwd. Terwijl ik haar boekentas in de koffer zwier, blijft ze staan drentelen langs de auto. Ik wil haar net aanmanen om voort te maken en in de auto te stappen, wanneer ze een diepe zucht slaakt. ‘Het gaat niet meer sneeuwen, mama, de lente is begonnen.’ Terwijl ze het zegt, vormt haar adem volmaakte wolkjes in de vrieskou. Ik sla een blik op de dichtgevroren auto voor me en de grijze nevel die onze oprit deze ochtend in een grauwe mist omhult. ‘Hoezo, de lente is begonnen?, vraag ik haar lichtjes geërgerd, terwijl ik op haar toeloop.

En dan zie ik waar ze al een poosje ingespannen naar tuurt. Minstens 50 dappere, dunne groene sprieten duwen zich doorheen de aarde een weg naar de lucht. Een weg naar het licht. Het zijn krokusjes in wording.

Het beeld van die dappere sprietjes die de bevroren aarde trotseren, ontroert me mateloos. Het is het meest hoopvolle dat ik de afgelopen dagen gezien heb. Misschien kunnen we de sneeuw inderdaad maar best vergeten, net zoals zoveel andere dingen. Maar dat het straks weer lente wordt, dat staat vast. En dat? Dàt is pas iets om hoopvol naar uit te kijken!

Liesbeth

Het kleine zien

In het park met mijn kleinzoon valt het me een paar keer op: hij ziet alles wat klein is veel beter dan ik. Het begint al als ik hem geconcentreerd bezig zie met een verdord eikenblad.
‘Wat is er zo speciaal aan dat blaadje?’ vraag ik.
‘Ik heb een sprinkhaan gevangen, oma!’ lacht hij.
En ja hoor, als ik beter kijk, zie ik op de rand van het blad een frisgroene sprinkhaan. Die gaat er even later met een salto vandoor. Kleinzoon volgt hem feilloos door het gras, terwijl ik al lang het spoor bijster ben.

Daarna spelen we pétanque. Om de beurt gooien we een klein, rood balletje in het gras en proberen daar met onze ‘boules’ in de buurt te komen. Maar dan gaat het mis. Ik gooi het rode balletje, we zien het allebei landen in het gras en toch is het verdwenen.
Het gras in het park is al een tijd niet gemaaid. Waar is toch dat balletje gebleven? We weten ongeveer waar het moet liggen en waden met onze voeten door het gras, maar het lijkt van de aardbodem verdwenen.
Ik til elk dor blad op in de hoop het balletje te vinden. Kleinzoon schoffelt met zijn voeten dwars door het gras. We vinden niks.

Net als we het willen opgeven, duikt kleinzoon opeens naar de grond en raapt met een juichkreet het balletje op. Hij doet prompt een ritmisch dansje, want dat hoort tegenwoordig bij een overwinningsmoment.
Het balletje lag op een plek waar ik al tien keer voorbij was geschuifeld. Kleinzoon lijkt veel beter toegerust om het kleine te zien dan ik. Misschien zie ik de grote dingen beter, probeer ik mezelf op te peppen.

En wie van ons beiden zou er het beste zien wat onzichtbaar is? Dat is een open vraag.

Kolet

De leukste dag

Kleinzoon logeerde een hele week bij opa en oma in een huisje in de Ardennen. Wij haalden alles uit de kast om hem een leuke tijd te bezorgen. We gingen naar het Waalse ‘Bokrijk’ waar hij een ouderwets klaslokaal zag en op een tractor mocht zitten. We werden rondgeleid in het kasteel van Hare Krishna, waar we een Indische sacrale dans meemaakten en helemaal tot in de toren mochten klimmen. We doken onder de grond in onderaardse grotten vol stalagmieten en stalagtieten. We speelden gezelschapsspelletjes bij de vleet.

Op het einde van die week vroegen we hem wat nu de leukste dag was geweest. Het antwoord was verrassend. ‘Die middag bij de Ourthe’, zei hij. Daar had hij urenlang dammetjes gebouwd en de stroming van het water bijgestuurd. Met een visnetje had hij piepkleine visjes gevangen en in een emmertje bewaard. Daarvoor had hij diverse visplekken uitgeprobeerd. Hij had met stenen gesjouwd en door het water gewaad. Hij kon er nauwelijks genoeg van krijgen.

Iedereen wil tijdens zijn leven een steen in een rivier verleggen. Soms mag je dat heel letterlijk opvatten.

Kolet

Dilemma in bevreemdende tijden

“Heb je een momentje?”, sms’te ze. “Ik wil iets overleggen”. Het is het tweede – gelijkaardige – verhaal dat ik vandaag beluister. Ze werkt in de zorg. Als werknemer in de zorg is het in deze coronatijden alle hens aan dek. Voor gezonde werknemers wordt het een uitputtingsslag, maar wat doe je als je als zorgkundige zelf tot een risicogroep behoort? De overheid is formeel: thuisblijven. Maar zo werkt het niet in haar hoofd. Is het wel zo zwart-wit? Kan je je collega’s op dit moment in de steek laten? Kan je je cliënten achter laten? Hoe neem je als christen in deze situatie ten volle je verantwoordelijkheid? Wat is de plaats van zelfzorg in dit verhaal? Hoe ga je op een milde manier om met je eigen fysieke kwetsbaarheid terwijl je de noodroep hoort van de organisatie waarvoor je werkt?
Ook al vraagt men haar om er voor de volle 100% te zijn, ‘alles of niets’ is voor haar geen optie. ‘Alles’ kan ze niet, ‘niets’ wil ze niet. En wat is ‘alles of niets’ op dit moment van haar levensweg?

Ieder heeft in dit verhaal zijn eigen belangrijke rol. De invulling ervan is zoeken, afdalen in de stilte van je hart om te beluisteren wat jouw antwoord kan en mag zijn.
We overleggen over hulp vanop afstand, mensen die je kan inschakelen om je fysieke plaats in te nemen, manieren van solidariteit in alle mogelijke vormen en soorten. We moeten creatief zijn, want we kunnen niet terugvallen op eerdere, gelijkaardige ervaringen. We moeten snel beslissen, terwijl een doordacht en doorvoeld antwoord tijd vraagt. Ik hoop op wat momenten van rust, bij elk van ons, om sereen te blijven. Bergen toiletpapier zijn niet nodig, maar wel veel bergen gezond verstand en bergen vertrouwen in onze innerlijke weg.

Sylvie

Spoed

‘En zal papa niet te emotioneel zijn, als hij dit verneemt?,’ vraagt onze kleinzoon Bran van bijna 16. Wij zitten al enkele uren op de spoedafdeling van het ziekenhuis. Het is nu eenmaal de taak van een grootvader om de mobiliteit te verzekeren waar dat kan.

Het leek eigenlijk een rustige donderdagavond te worden. Maar dan kwam ineens dat telefoontje van mama Kelly. Bran was zoals gewoonlijk naar het wekelijkse potje badminton in de sporthal. Want sporten is gezond voor een jonge kerel. Of zij even onze auto mocht lenen, want de papa was op een feestje van het werk.

Snel naar de plaats van het onheil. Bran had zich verstapt na de wedstrijd: knieschijf uit de kom. Het zal ook wel met de groei te maken hebben, want de laatste jaren is hij de hoogte ingeschoten. Zo merk je dat de knieën in onze familie toch wel het zwakkere broertje zijn.

Dan maar ineens naar de spoed. Maar rond half negen ’s avonds is dat blijkbaar geen goed idee. Nog enkele ouders zaten hier met kindjes te wachten. Mogelijk heeft ook het coronavirus voor een stuk deze drukte bepaald.

De wachtbeurten tussen de opname en enig onderzoek en eventueel behandeling kunnen aardig oplopen. Met kleurtjes worden de patiënten gewaarschuwd. Rood gaat meteen door, maar blauw zou wel eens een uur of vier kunnen duren. Maar toch overheerst het gevoel van dankbaarheid dat we hier naartoe kunnen.

Ondertussen is het zaak om veel geduld te oefenen. Ik vraag me af hoeveel uren van zijn leven een ouder of grootouder in het ziekenhuis doorbrengt met gewoon maar wachten? Ik durf het niet op te tellen. Maar leuke contacten leggen met andere ouders en kinderen helpt toch heel wat. En daar is Bran zeer goed in.

Als we uiteindelijk tegen één uur ’s nachts met een lang been in de plaaster naar huis kunnen, is het meeste leed geleden. Twee dagen niet naar school en dan een maand nog een ondersteunende brace. ‘Eigenlijk had ik een voorgevoel en het wordt kapot moeilijk om op school trappen te doen,’ besluit Bran filosofisch.

Jos

Dinosaurussen

Net zoals peuterkoppigheid of puberpukkels is de dino-obsessie een fase waar heel wat kinderen (vooral jongens?) doorheen moeten. Ze memoriseren hun ingewikkelde Latijnse namen en kunnen tot in de details vertellen over hun gevaarlijke krachten, hun voedsel en hun afmetingen. Dino’s zijn fascinerend, maar hun jonge fans die er helemaal in opgaan, zijn dat in mijn ogen nog veel meer.

Ik wist al dat de trend de generaties overstijgt. Mijn jongste zoon, die stilaan naar de dertig gaat, maakte het stadium door en kwam er goed doorheen. Nog steeds kent hij een aantal namen en kenmerken, al moet hij er wat langer naar zoeken.

Mijn kleinzoon van zes zit er middenin. Hij heeft een verzameling plastic dino’s met opengesperde bekken. Daar speelt hij meestal niet echt mee, maar hij zet ze in paren bij elkaar en legt dan uit wie van beide in een gevecht gegarandeerd het onderspit zal delven. Daarvoor haalt hij alle bloederige details die hij kent uit de kast. Ik kan meestal alleen maar knikken en hopen dat hij snel een ander gespreksonderwerp aansnijdt.

Maar de dino-gekte is niet enkel iets voor het westen. In India was ik op bezoek in een Engelstalige lagere school. De kinderen en ik wisselden weetjes uit over het weer, de vervoersmiddelen en de wilde dieren in ons beider landen. Over dat laatste was ik heel wat sneller uitgepraat dan zij, die hele verhalen hadden over hoe aapjes het lekkers soms uit hun handen pikten terwijl ze in de tuin zaten te snoepen. En hoe ze onderweg met de auto weleens moesten stoppen omdat er olifanten overstaken.

Toen stak een jongen van een jaar of negen zijn hand op. Of ik iets wilde vertellen over de dinosaurussen in mijn land. Ik dacht eerst dat ik hem niet goed had begrepen. Maar hij drong aan: die dino’s, hoe groot waren die en waar leefden ze precies?
De angst sloeg me om het hart. Ik voelde dat ik onvermijdelijk op een ontgoocheling afstevende. Hij zou iets verliezen wat hem met plezier en opwinding vervulde: het geloof dat er nog levende dino’s waren, weliswaar ver weg, maar toch bereikbaar, ooit misschien. Voorzichtig begon ik te vertellen over het museum in Brussel, waar je tussen de skeletten van de dino’s kunt wandelen en zelfs hun vermoedelijke stem kunt horen. Dat het dan net leek alsof ze echt waren, troostte ik hem. Maar ik kon niet anders dan uitleggen dat dino’s al heel lang niet meer op aarde leefden.

Hij knikte zonder te glimlachen. Hij verbeet manmoedig zijn verdriet, de pijn die je voelt als je iets verliest waarin je sterk hebt geloofd. Zijn juf glimlachte wel, een beetje verontschuldigend.

Later hoorde ik de Indische kinderen spelen op de speelplaats. Het klonk precies zoals hier, ook al spraken ze een heel andere taal. Ik weet dat de jongen er wel overheen komt. Zijn fascinatie voor dino’s zal sowieso verdwijnen. Hij zal in andere dingen geloven, hopelijk net zo sterk. Hij was een heerlijke mens om te ontmoeten.

Kolet

Dochters

Een zinvolle gedachte uit Scandinavië is dat je in de latere jaren van je leven klaar moet zijn met het opruimen van je huis. Wanneer je daar precies mee moet beginnen, heb ik nog niet kunnen achterhalen. Want in feite is ons huis, dat nu 45 jaar geleden gebouwd is, nog niet helemaal af.
Er is al wel heel wat aan verbouwd en vertimmerd. Onze vijf kinderen zijn al jaren de deur uit en de kinderkamers werden ondertussen al voor andere doeleinden gebruikt: als gastenkamer, als secretariaat van een vereniging, als logeerkamer voor de kleinkinderen.
Maar in een periode van grote vakantie dringen we er toch op aan dat onze kinderen hun eigen inboedel van vroeger zelf komen sorteren en opruimen. Onze drie dochters hebben toevallig dezelfde dag uitgekozen, want samen is dat werk blijkbaar heel wat leuker.
‘Kijk eens naar deze liefdesbrief van een jongen uit mijn klas,’ roept ons Hilde verbaasd uit. ‘Ik wist helemaal niet dat hij verliefd was op mij!’ Ze twijfelt er nog even aan om haar cursussen van Germaanse nog langer te bewaren. Ze zal dan maar een kritische selectie maken.
‘Zou ik die boekjes van mijn communie nog nodig hebben?,’ vraagt ons Lieve aan Ria. ‘Misschien kun jij die nu nog gebruiken voor je catechesewerk in de parochie.’ Het kladwerk van haar thesis Kunstwetenschappen kan ze nu met een gerust gemoed achter zich laten.
Onze jongste dochter, Mieke, vindt op haar vroegere kamer nog restanten van onze eerste muziekinstallatie. Een platenspeler weet zij online te afficheren en binnen het uur zijn er al enkele kandidaten voor. ‘Deze kanten sjaal en die zwarte handschoenen ruiken nog naar moemoe!’ Die wil ze graag toch mee naar huis nemen.
Zo wordt ons huis weer een beetje leger en lichter. Nu moeten onze twee zonen, Koen en Filip, nog eens langskomen om hun eigendommen te onderzoeken en op te ruimen. Het enige probleem is dat hun eigen huis ook niet al te groot is. Dus liever toch de schatten op zolder laten, waar ze later dan gezocht en gevonden kunnen worden?

Jos

Openbaring

Ik speel met mijn kleinzoon een spelletje ‘boter, kaas en eieren’. Het dateert nog van de vorige generatie kinderen in huis en zit in een oude doos. Op het deksel staan in close up de gezichten van een jongen en een meisje die dolle pret hebben met het spel. Het gezicht van het meisje is echter met blauwe balpen ‘bijgewerkt’. Een voorhoofd vol pukkels, sproeten op haar neus, een snor en een heftig gestreept sikbaardje. Boven het mishandelde meisje staan letters. ‘BEKKA’, spelt kleinzoon. Er staat inderdaad ‘DIT IS BEKKA’.
‘Dat is mijn mama!’ zegt kleinzoon verrast.
Ik knik. ‘Jouw mama heeft hier vroeger ook mee gespeeld. Misschien heeft meter Sara dat gedaan’, leg ik uit.
‘Meter Sara?’ zegt hij ongelovig. Hij kent haar als een grappige, maar altijd lieve tante. ‘Waarom doet die zoiets?’
‘Zusjes maken weleens ruzie, hè?’ zeg ik.
Hij kijkt me met grote ogen aan en ik zie zijn hersens knarsen. Hij weet best dat grote mensen vroeger kinderen waren, maar nu wordt het opeens toch wel heel concreet.
Het moet het gevoel zijn dat archeologen ervaren als ze een heel nieuwe laag van een oude stad blootleggen: een ongelooflijk gedetailleerde inkijk in de geschiedenis.
Hij bestudeert de bijgewerkte afbeelding minutenlang heel zorgvuldig. Dan lacht hij. De openbaring is verwerkt. Hij zal zijn mama en zijn tante ongetwijfeld voortaan met andere ogen bekijken. Ze kunnen hem vertellen wat ze willen, hij heeft de bewijzen gezien dat zij ook wel eens stout waren. Altijd een opluchting, en een onmisbare stap in het groot worden.

Zo schuiven we allemaal op, beetje bij beetje. Mijn kinderen zijn ruimschoots volwassen en ik word oud. Er zijn veel slechtere manieren dan deze om dat te mogen ervaren. Daarvoor laat ik me met plezier verslaan bij het spel. Kleinzoon zit al klaar.

Kolet