Het paradijs

‘Mag Pauline even bij jullie zitten, anders zit ze daar zo alleen’, vraagt de verzorgster van het rusthuis vriendelijk als ik bij mijn moeder op bezoek ben. We zitten prinsheerlijk in de warme schaduw op het terras van de leefruimte, met zicht op al wie naar binnen en naar buiten gaat. Ideaal voor mijn moeder die graag commentaar levert.

Pauline is een van de mensen die mijn moeder samenvat onder de noemer ‘die weet het allemaal niet meer’. Zelf drijft ze ook steeds verder op die rivier, sinds ze onlangs haar gebit spoorloos maakte. Maar Pauline is al wat verder gevaren. ‘Weet gij wat ik hier moet doen?’ vraagt ze vriendelijk maar bezorgd. ‘Gewoon genieten van de buitenlucht en het mooie weer’, antwoord ik. ‘Maar dat is fijn’, zegt ze onmiddellijk, met een stralende glimlach.

Pauline kijkt genietend rond. ‘Kijk toch eens hoe schoon die bomen in blad staan’, zegt ze. Ze vertelt waar ze gewoond heeft, als kind en als volwassene. ‘Ik doe nog alles zelf’, meent ze. ‘De was, eten koken… Ik heb alleen een poetsvrouw voor een halve dag in de week.’ Mijn moeder slaat haar ogen ten hemel. ‘Die denkt dat ze nog thuis woont’, zegt ze, te luid.

Even later worden binnen de tafels gedekt en schuiven de eerste bewoners aan voor het eten. ‘Bijna etenstijd’, zeg ik. ‘Echt?’ zegt Pauline vol oprechte verbazing. ‘Gaat gij hier eten?’ ‘Gij ook’, leg ik uit. ‘Dat hoeft ge allemaal niet meer zelf klaar te maken. Ge moogt gewoon aanschuiven.’

‘Maar dat is niet te geloven, dat is het paradijs!’ roept Pauline uit. Mijn moeder verzamelt haar bezittingen in haar rollatormandje en rolt naar binnen. Een verzorgster komt Pauline halen.

Verwardheid heb je in soorten. Als ik mag kiezen, ga ik voor de gulle vorm van Pauline. Want ik wil graag altijd en overal het paradijs kunnen zien.

Kolet

Advertenties

Dood en begraven

‘Tegen die tijd kan ik al lang dood en begraven zijn’, zegt mijn moeder al jaren met de regelmaat van een klok. Meestal als wij proberen iets ruimschoots van tevoren te plannen. Onze agenda’s zijn al lang veel voller dan de hare.

Wij zuchten dan altijd, een beetje geërgerd. Met die letterlijke dooddoener snoert ze ons de mond. Maakt ze duidelijk dat niet iedereen zich aan onze afsprakenlijstjes zal houden. Wil ze misschien zelfs dat we op elk moment tijd voor haar kunnen vrijmaken in onze agenda.

Wij vonden dat tot voor kort volledig misplaatst. Er kan natuurlijk altijd iets misgaan, maar daar kun je in het normale leven geen rekening mee houden, toch? Je moet de toekomst toch gewoon plannen?

Maar de laatste tijd betrappen we er onszelf op dat we ook wat voorzichtiger worden. Wat doen we met het familiefeest op Nieuwjaar, nu mijn vader niet meer mobiel is? En hoe gaan we hun 65-jarige trouwfeest vieren over een maand? De uitspraak van mijn moeder zindert in ons hoofd. Ooit zal ze gelijk krijgen. Ze heeft er nu al plezier van.

‘Als het God belieft’, zegden mensen vroeger wel eens. Ik geloof niet in een God die aan de touwtjes trekt. Die uitkiest wie hij wanneer en hoe laat sneuvelen. Maar de uitspraak drukt iets uit van hoe wat komen zal, niet in echt onze macht ligt. We moeten koesteren wat er is en openstaan voor wat kan. Misschien er wat minder van uitgaan dat we nog recht hebben op…

Mensenlevens zijn kwetsbaar. Maar juist daardoor ook waardevol. Zelfs daarin zijn we beeld van God.

Kolet

 

Roodkapje

Mijn buurvrouw heeft longontsteking. In de middagpauze ga ik met een mandje met pannenkoeken en een pot stroop naar haar toe. Ik voel me bijna Roodkapje. Terwijl we eten, praten we over onze toenemende ouderdomsverschijnselen. Onze tanden worden geler, onze haren grijzer en onze rimpels dieper. Er komen rare vlekken in ons gezicht en er groeien haren op ongewenste plaatsen. ‘En mijn oren zijn zo groot geworden!’ roep ik uit. Grootmoeder, wat heb je grote oren! Roodkapje is inderdaad niet ver weg.

We wikken en wegen hoever we willen gaan in onze camouflagetechnieken. Het oog wil ook wat, en voor vrouwen lijkt dat nu eenmaal dubbel te gelden. Maar toch. Als alle vijftigplussers gebotoxt en met gewitte tanden gaan rondlopen, zie je er extra oud uit als je daar niet aan meedoet. Misschien moeten we een collectief oprichten van ravissante rimpeldames. We lachen zo hard dat mijn buurvrouw verstrikt raakt in een hardnekkige hoestbui, die ons weer even met de voeten op de grond zet. Zolang we alleen maar last hebben van rimpels en kwaaltjes die weer overgaan, hoeven we inderdaad niet te klagen.

De middagpauze is voorbij, ik ga weer aan de slag. De wolven zijn weggejaagd. Lang leve Roodkapje en vooral haar grootmoeder!

Kolet

Waak over mij

“Een terugval”, besluit de dokter. “Ik ben zo moe”, zucht mijn oma. Toch kiest ze ervoor om zo goed als het kan wakker te blijven en de strijd voor een tweede keer aan te gaan.

Ik denk aan al die keren dat ze waakte over ons, haar zo geliefde kleinkinderen. En aan al de keren dat ze ook vandaag nog haar slaap laat om ons met al haar warmte te gedenken en beschermen.

De rollen keren zich stilaan om. Zelf zal ze er nooit om vragen, maar in haar ogen lees ik een “waak over mij”. Wat doet het mij verdriet dat ik niet altijd even wakker ben. Om het wonder van ieder moment te aanschouwen. Want ook te midden van oma’s strijd wordt straks een Kind geboren. Zij probeert er nu al een blik van op te vangen. De moeite om wakker te blijven.

Valérie

Als fietsen bidden wordt

Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ik op mijn 65 nog een koersfiets zou kopen. Toen ik jong was, had ik er wel een om af en toe eens mee te nemen op kamp met de KSA. Maar heel veel heb ik er toen niet mee gereden.

Nu wel. Drie jaar geleden dacht ik dat ik een stevige wintergriep te pakken had, maar mijn vermoeidheid bleek het gevolg te zijn van hartritmestoornissen. Het leek wel of de wereld stil bleef staan. De cardioloog liet me toen een boekje van Toon Hermans lezen: Zet je hart uit je hoofd.

Dit bleek inderdaad niet het einde van de wereld te zijn. Met elektrotherapie en stevige revalidatie was mijn conditie na een paar maanden beter dan tevoren. De dokter had me ook gesproken van de fietsclub van hart- en diabetespatiënten, die elke week hun kilometers maalden als een voorbeeld van sportief fietsen. Want gezondheid is in feite een grote gave, die je moet koesteren. Daarom moet je werken aan je conditie, want daar kun je zelf veel aan doen.

En sindsdien rijd ik ook haast elke week mee. Tijdens die uren door Gods heerlijke natuur, op dijken en door bossen, heb je veel tijd om na te denken. Zo wordt fietsen soms echt een beetje bidden. Want met grote dankbaarheid moet ik dan terugdenken aan de mogelijkheden die het leven ons biedt. Aan ons en niet meer aan de mensen van mijn leeftijd die er niet meer zijn.

Toen wij onlangs voorbij de kerk van Vrasene fietsten, zag ik weer het beeld van bijna vijftig jaar geleden, toen wij in de zomer op voetrally waren met de KSA. Piet zat naast de kerk te genieten van zijn sigaretje en zijn cola. Hij is al lang overleden, na een slepende ziekte.

Wat opvalt in de groep fietsers, is de zorg die zij voor elkaar hebben. Altijd is er een dokter of kinesitherapeut mee en ook een defibrillator. Gelukkig is die nog nooit nodig geweest. ‘Fietsen is in feite een betere medicatie dan heel wat pillen,’ zegt de arts. En daar is hij rotsvast van overtuigd. En ook de solidariteit in de groep is nog de beste remedie van al.

Jos

Oude hond

Stilstaan en nog maar eens wachten op die oude, halfkreupele hond.
De avondwandeling, een blokje van amper 500 meter, is een hele onderneming geworden. Waar is de tijd dat ik hem nauwelijks kon bijhouden?
Maar tijd tikt nu eenmaal sneller voor honden. Ongenadig snel. Het is nog maar 13 jaar geleden dat Figo als een blonde labrador-pup ons gezin binnenrolde.
‘God had na de schepping nog een emmertje energie en vriendelijkheid over, en daarmee maakte Hij Figo’, grapten we wel eens. Dertien jaar lang bracht hij ons aan het lachen, zette hij ons aan tot spelen, was hij ‘social worker’ van de buurt, voelde hij elke crisis in ons gezin haarscherp aan, en werkte op zijn manier mee aan een oplossing, bijvoorbeeld door onze aandacht te richten op belangrijker zaken, zoals een wandeling.
En nu is hij een oude hond geworden, half blind, half doof en met achterpoten die niet meer mee willen.
Ongetwijfeld vertelt dit proces, dat we voor onze ogen zien gebeuren, veel over het leven. Maar het vertelt nog meer over levenskracht. Want Figo klaagt niet, en lijkt ook geen last te hebben van neerslachtigheid. Hij is nog steeds even opgetogen over een wandeling. Wanneer zijn achterpoten het begeven, kijkt hij verwonderd achterom. Dan krabbelt hij overeind en loopt kwispelend verder. Zijn falend gehoor en zicht compenseert hij door meer dan ooit te snuffelen. En wanneer hij ligt te rusten in de zon, rolt hij vaak op zijn rug, vier poten in de lucht, een en al levenslust.

Ik kan het niet laten. Ik probeer me in te denken hoe anders ‘ouder worden’ zou zijn, als mensen niet zouden piekeren over hun toekomst, of treuren over verloren mogelijkheden. Als mensen zouden genieten van wat nog kan.
Natuurlijk, een hond heeft het gemakkelijk. Hij weet van niet beter. Maar ook wij weten niet altijd evenveel als we denken te weten – de toekomst heeft soms prettige verrassingen in petto, ook in de ouderdom.
Ouderen die zichtbaar genieten van hun leven – wat een geschenk voor de jongeren.

Katie