India

‘Jullie hebben wel veel spullen uit India’, merkt kleinzoon op.
Hij heeft gelijk. Er ligt een loper op tafel, er staat een doosje op de kast en nog een beeldje op de vensterbank.
‘Wij zijn een paar keer in India geweest’, leg ik uit. ‘Het is een heel mooi land. Jouw papa en mama zijn er trouwens ook geweest, nog voordat jij er was.’
Hij knikt. Ook hij heeft al vaak de verhalen gehoord en de foto’s gezien.
‘Ik weet nog hoe fijn het daar was. Zelfs toen ik in de buik zat, heb ik dat al gevoeld’, vertelt hij.
Ik schiet in de lach. Zijn ouders waren in India al jaren voordat er van hem sprake was.
‘Je bent niet langer dan negen maanden in de buik, hoor’, zeg ik.
Maar hij weigert toe te geven. En wie ben ik om hem tegen te spreken?
Als je iets maar vaak genoeg hoort vertellen, is het op de duur toch net alsof je er zelf bij bent geweest?
En wie kan zich echt voorstellen dat er een tijd was toen je er helemaal nog niet was? Waarom zou je dan niet als een piepkleine kiem alvast in de buik van je mama wonen?
In het verlangen van zijn ouders en in onze hoop op kleinkinderen ooit, was hij er hoe dan ook toen ook al bij.
Kleinzoon heeft gelijk, zoals bijna altijd.

Kolet

Raket

And now the end is here,
and so I face that final curtain…

‘Oooh’, slaak ik een enthousiaste zucht terwijl ik de volumeknop opendraai bij het horen van de eerste tonen. Ik neurie een beetje verder, want buiten de eerste regels ken ik de tekst eigenlijk niet.

‘Wie is dat?’ vraagt zoonlief op de passagierszetel naast me.

‘Frank Sinatra’ antwoord ik.

‘Is die bekend?’

‘Uhm’

‘En waarover gaat dat liedje?’

‘Uhm, over iemand die heel oud is en bijna gaat sterven. En die dan terugkijkt op zijn leven en zegt: het is mooi geweest, ik heb het leven helemaal geleefd zoals ik wilde.’

‘En is die nu dood?’

‘Ja, al een tijdje.’

Stilzwijgend luisteren we verder hoe de muziek bombastisch aanzwelt en Frank Sinatra met steeds meer overtuiging zijn levensloop bezingt.

‘Weet je wat grappig is?’, hoor ik ineens naast me, ‘iedereen kijkt altijd naar boven wanneer we over de hemel praten. Maar daar is de hemel helemaal niet.’

‘Oh nee?’ vraag ik verbaasd, ‘en waarom niet?’

‘Ja, ik weet nu dan ook wel niet waar die wel is’, antwoordt hij stellig, ‘maar zeker niet daarboven. Heb je al ooit gezien wat voor een gigantische vuurstroom uit een raketmotor komt? Dat kan echt niet door de hemel gaan hoor, dan verbrandt toch iedereen!’

‘Ah zo ja, daar heb je een punt.’

We mijmeren samen een beetje verder. Terwijl mijn 9-jarige zoon zijn wereld probeert samen te denken en flirt met de grens tussen geloof en wetenschap in zijn hoofd denk ik aan Frank Sinatra. Ik zie een beeld voor me: Frank Sinatra strak in pak op een hemelse bühne die toeschouwers uit lang vervlogen tijden toezingt over that final curtain. Met bulderende motoren vliegt een raket dwars door het podium heen. Verwijtend kijkt Frank de verwoestende vuurstaart achterna en steekt zijn gebalde vuist omhoog…

Nee, hij heeft gelijk. Waar de hemel is, weet ik na 36 jaar ook nog niet. Maar dat het alvast nergens zal zijn waar de hemelbewoners opgeschrikt kunnen worden door voorbijrazende raketten, dat staat vast.

Liesbeth

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

We zitten in het park even uit te puffen na een spannend spelletje pétanque. Opeens wijst kleinzoon naar de grond onder een struik. ‘Zit daar een spookje?’
Ik had de witte vlek ook al opgemerkt in de rand van mijn blikveld, maar hem automatisch gecatalogiseerd als zwerfvuil: een weggewaaide witte plastic zak, die onder de struik is blijven hangen.
‘Wie weet’, zeg ik. ‘Wat zou zo’n spookje daar wel doen?’
‘Misschien is het een zomerspookje dat zijn winterslaap doet’, bedenkt kleinzoon. ‘Dan moet hij uitkijken voor winterspookjes, want die zijn er nu veel.’
‘O ja?’ lach ik. ‘En doen die winterspookjes dan geen winterslaap?’
‘Natuurlijk niet’, zegt kleinzoon zeker van zijn stuk, ‘die doen alleen een zomerslaap.
‘En wanneer worden de winterspookjes afgelost door de zomerspookjes?’ vraag ik.
‘Op 21 maart natuurlijk’, zegt kleinzoon. Hij heeft net een project over de seizoenen achter de rug op school. ‘Maar soms vergissen ze zich een paar dagen en dan wordt het spannend.’

Hij knabbelt verder aan zijn rozijntjes en ik aan mijn appel.
Even bekruipt me de neiging om onder de struik te gaan checken wat dat witte ding precies is. Maar ik doe het niet.
Want het is veel te zalig om samen met kleinzoon te kijken naar iets wat er misschien niet is. Of misschien wel.

Kolet

Tarascon

Het is ochtend. De kleur grijs strekt zich uit van dak tot dak in onze straat. En het miezert.

Ik zie hetzelfde grijs in de gezichten van de mensen die ik tegenkom op mijn wandeling. Een paar schichtige blikken, en veel onzekerheid. Wat maakt het allemaal uit? Zal het vaccin wel uitkomst bieden? Hoeveel jaren zal onze economie hiervan moeten bekomen? Hoe lang nog wachten op ons ‘normale’ leven?

En plots denk ik terug aan Tarascon.

Afgelopen zomer, een eeuwigheid geleden, trokken we met het gezin verder op de GR10, een 900 km lang wandelpad over de Pyreneeën, van de Atlantische Oceaan tot de Middellandse Zee. Door Corona waren niet alle berghutten geopend en een plaatselijk reisbureau had logies in het dal voor ons geregeld.

Zo kwamen we terecht in Tarascon, een vergeten stadje van oude huizen naast hamburgertenten. De wolken hingen laag en lieten af en toe een spatje water vallen op al onze pogingen om er de sfeer in te houden.

Toen we de volgende morgen met een busje naar het startpunt van de dagtocht gebracht werden, zeiden we niet veel. Grijs, grijs, grijs – je kon nauwelijks de bomen aan de kant van de weg zien.

Het busje nam traag de ene haarspeldbocht na de andere. Niemand was gehaast om uit te stappen. Plots werd de mist wat minder dik. Drie bochten verder zag je de zon oplichten, als een zaklamp achter een dik, grijs gordijn. En dan waren we opeens boven de mist. De hemel blauwde, de zon schitterde, bomen, bloemen en bergen tekenden zich jong en scherp af in de helderste kleuren. We gingen op weg door dit zonovergoten wonderland van schitterende dauwdruppels aan elke twijg, zover je kon kijken. Nu was het Tarascon dat we niet meer konden zien, het lag verzonken in de wolken, alsof het er nooit geweest was. En wij, wij keken naar de toppen voor ons.

‘Terug in Tarascon’, denk ik, terwijl ik ons tuinhekje openduw. Ik kijk omhoog en probeer me het schitterende licht achter dit grijs voor te stellen. Het is er, daar twijfel ik niet aan. Kan ik die berg beklimmen, zodat ik het kan zien? Kan ik het licht voelen en erdoor verwarmd worden? Kan ik het doorgeven? Wanneer komt het busje dat ons hoger brengt?

Ik ga terug naar binnen, de woonkamer is schemerig donker.
Ondertussen is het advent, de tijd dat wachten verwachten wordt.
Ik steek een kaars aan en zet ze op de schouw. Er is altijd een eerste stap.

Katie

Wereldbol

‘Oma, weet je dat wij wonen op een wereldbol?’ vraagt mijn kleinzoon.

Ik knik. Dat ga ik niet ontkennen.

‘Op het einde van alle landen is er de zee’, legt hij uit. ‘En dan gaat er een waterval weer helemaal naar boven.’ Hij maakt grote armgebaren. Ik zie het voor me.

Kleinzoon probeert al die rare dingen waar grote mensen in geloven in elkaar te passen. Dat is een hele opgave.

Even later heeft hij het over eb en vloed. ‘De maan trekt aan het water van de zee’, vertelt hij. ‘Met zwaartekracht of zo. En als ze stopt met trekken, komt het water weer terug.’

Ik zou het zelf niet beter kunnen uitleggen.

We zijn pas naar een film over een heks geweest, die zonder moeite een tafel ondersteboven tegen het plafond kon toveren. Dat vond kleinzoon geweldig. De zwaartekracht is duidelijk nog niet allesoverheersend in zijn denkwereld.

Gelukkig maar. Hij mag nog even luchthartig en lichtvoetig zijn.

Er is nog plaats voor spoken en elfjes en andere vliegende wezens in zijn wereld. En ook voor God. Hopelijk blijft die laatste voor altijd in zijn buurt.

Kolet

De nieuwe jas

Ik mag voor kleinzoon een nieuwe jas kopen. In de winkel past hij een stoer, zwart exemplaar. Hij pulkt aan de witte beveiligingstag die aan de mouw bevestigd is.
‘Niet doen’, zeg ik, ‘dat halen ze er straks af bij de kassa. Dat is een beveiliging tegen diefstal.’
Kleinzoon kijkt vol ontzag naar de jas. ‘Beschermt die jas mij tegen dieven?’ vraagt hij.
Heel even aarzel ik. Wat zou ik hem graag een toverjas schenken, een jas waarin hij zich veilig zou voelen tegen alle mogelijke vormen van onheil.
Maar de werkelijkheid wint. ‘Nee, dat plaatje zorgt ervoor dat de jas niet kan gestolen worden uit de winkel’, leg ik uit. ‘Daarom halen ze het er pas af bij de kassa, als we hem al betaald hebben.’
Uiteindelijk kiezen we een andere jas, een die aan twee kanten kan gedragen worden. Kleinzoon vindt het geweldig dat hij zijn mouwen bij het uittrekken gewoon omgekeerd mag laten zitten en telkens een andere kleur jas heeft.
‘Ik heb een binnenstebuitenjas’, zingt hij.
Ik denk aan het veelkleurige jasje van Jozef, waar zijn broers zo jaloers op waren. Dat was voor Jozef het begin van heel wat ellende. Gelukkig heeft kleinzoon niet van die rare dromen. Hij is gewoon gelukkig met zijn binnenstebuitenjas. En tegen dieven beschermen wij hem voorlopig zelf.

Kolet

Helden

Ze zitten samen op de achterbank, mijn zoon van acht en een vriendje. Zonet hebben ze besloten dat ze willen deelnemen aan het Ketnet-programma ‘Helden van de race’. Terwijl ze bedenken hoe ze hun racewagen gaan bouwen, stoten ze op een probleem:
“Mama, dat programma is tijdens de week, maar dan moeten wij toch naar school?”
Ik leg hen uit dat zo’n programma’s vooraf worden opgenomen, tijdens het weekend of tijdens een schoolvakantie.
“Oké,” zegt Imre gedecideerd, “dan laten wij de programmamakers wel weten wanneer wij vrij zijn.”
Ze beslissen dat ze best wel de badmintonmatch op zaterdag kunnen laten vallen, dat ze hun tent kunnen meenemen ‘voor moest het lang duren’ en dat de programmamakers voor hen ontbijt en chocomelk zullen voorzien als ze moeten blijven slapen in hun tent.
Ik kan mijn lach nauwelijks onderdrukken. Het gemak waarmee ze alles regelen, is om jaloers op te zijn.

Enkele dagen later passeren mijn man en ik tijdens een wandeltocht voorbij een grote oude hoeve. Ik moet denken aan de ongeremde fantasie van de kinderen op de achterbank en vraag: “Wat zouden we doen moesten we dit pand krijgen om hier iets uit te bouwen waar we van dromen?” We moeten er even in komen, maar na een tijdje fantaseren en dromen we voluit. Het lijkt misschien tijdverlies, maar toch komen we tot het besluit dat we een miniatuurversie van deze dromen ook kunnen realiseren in het ‘gewone’ leven.

Als we Gods droom met de wereld waar willen maken, dan moeten grote mensen misschien wat meer durven dromen. Het is niet moeilijk. We hoeven enkel goed te luisteren en te kijken naar onze kinderen.

Sylvie

Kerstkaartjes

Zodra het Driekoningen is, krijg ik de kriebels van dennennaalden. De kerstboom staat bij ons van kort na Sinterklaas en het wordt tijd voor een andere decoratie. Ik raak uitgekeken op de kaarsjes en ballen en wil alle personages van de stal weer netjes in de doos stoppen tot volgende december. Ik heb opeens nood aan meer ruimte in mijn woonkamer, aan andere liedjes in mijn hoofd.

Alleen voor de kerst- en nieuwjaarskaartjes maak ik een uitzondering. Die hangen in lange slingers aan linten boven en naast de binnendeuren. Kleurige getuigen van de banden met mensen ver weg en dichtbij. Sommige kaartjes komen van mensen die ik vaak zie en hoor. Die kaartjes zijn niet meer dan de bevestiging van een duidelijk voelbare vriendschap. Andere kaartjes komen van mensen met wie de band in de loop der jaren verwaterd is tot enkel dit kleine teken van leven. Vakantievrienden van jaren geleden, wellicht onherkenbaar geworden, sturen elke kerst een kaartje met een update van de gezinssituatie. Kleine kinderen zijn groot geworden, oude mensen zijn gestorven, nieuwe baby’s werden geboren. Er zijn kaartjes van verhuisde vrienden, van bijna uit het oog verloren collega’s, van mensen met wie ik ooit een tijd lang samen aan een project werkte, of die ik ontmoette op een lezing of workshop. De kaartjes zijn tastbare getuigen van de deugddoende ontmoetingen van toen.

Daarom haal ik de kaartjes niet weg samen met de kerstboom. Ze mogen de hele maand januari blijven hangen. Het zijn mijn relikwieën van vriendschapspijltjes overal. In alle kleuren van de regenboog, met kitscherige of kunstzinnige afbeeldingen, met niet meer dan een ondertekende krabbel of met een heel verhaal. Een mens is niet in staat om tientallen vriendschapsbanden tegelijk op een diepgaande manier te onderhouden. Daar heb ik me lang geleden al bij neergelegd. Ik droom er soms van dat we in het hiernamaals al die schade zullen kunnen inhalen. Maar tot het zo ver is, geniet ik van mijn kerst- en nieuwjaarskaartjes!

Kolet

Kerstversiering

‘Kijk eens’, roept ze.
‘Naar wàt?’ vraag ik ongeduldig.
We staan aan de zijdeur, mijn dochter en ik. De sleutelbos tussen mijn tanden, en mijn armen vol boodschappen: uien, wortels, yoghurt, brood. En ik heb me net in de auto gerealiseerd dat ik het toiletpapier ben vergeten.
‘Naar onze kerstboom’, wijst ze.
Nog zoiets. Deze keer waren we wèl tijdig bij de verkoper geraakt (vorig jaar was er enkel een opdondertje dat niemand anders had zien staan) – maar het was er nog niet van gekomen om deze kerstboom naar binnen te slepen, laat staan hem te versieren.

En daar staat hij nu dus al een week, vlak naast de deur – als een stil verwijt. Alhoewel. Soms lijkt het alsof ik hem hoor spreken. Iedere keer dat ik binnen of buiten ga, klampt hij me aan. Wanneer haal je me nu eindelijk eens binnen? Heb je al nieuwe lichtjes gekocht? En hoe zit het met de kerstkaartjes? Heb je wel voor iedereen een pakje? En al eens iets anders bedacht dan kalkoen op kerstavond? Hoe staat het trouwens met die echte, authentieke kerstsfeer daar binnen?
‘Ja, ik weet het’, zucht ik, ‘morgen gaan we hem versieren.’
‘Nee, dat bedoel ik niet’, zegt ze. ‘Kijk dan toch! Hij heeft al een versiering: de maan!’

Ik zet de boodschappentas neer, laat de sleutels in mijn zak glijden en zak door mijn knieën, tot op haar ooghoogte. Ze heeft gelijk. Van hieruit bekeken, staat de maan keurig bovenop de top van de boom. Nooit had een kerstboom een fraaiere ster. En ik moest er helemaal niets voor doen. Hoor ik daar Iemand lachen?

Ik geef mijn dochter een knuffel.
‘Je hebt gelijk’, zeg ik.
Misschien moet ik dat wat vaker doen. Door mijn knieën gaan. Klein genoeg worden om te zien.

Katie

Gedachtespinsels in de luchthaven

Telkens wanneer ik in een luchthaven kom, vraag ik me af wie al die mensen zijn, vanwaar ze komen, waar ze naartoe gaan, of ze kinderen hebben, of er thuis iemand op hen wacht of hen mist, hoe ze hun brood verdienen, welke hobby’s ze hebben, wat hen zorgen baart, of ze gelukkig zijn, … Het komt gewoon in me op, telkens weer. Het is sterker dan mezelf. Net zoals de gedachte dat al die mensen uniek zijn en door God gekend en bemind zijn. Dat God iedereen persoonlijk kent – “van Afrika tot in Amerika, van op de Himalaya tot in de woestijn” – dat gaat mijn verstand ver te boven. Ik geloof dat het waar is, maar kan het niet vatten. Dan voel ik mij zoals de psalmist die bidt: “O God, uw gedachten zijn voor mij te groots, de som ervan is voor mij te machtig, ontelbaar meer dan er zandkorrels zijn. Ik kom er niet uit en blijf met U bezig.” (Psalm 139)

Jo