Het borsteltje

Ooit kreeg ik het van mijn moeder: een lichtblauw haarborsteltje met de zachtste haartjes die er bestaan. Het was het haarborsteltje dat ze gebruikt had om mijn prille babyhaartjes en die van mijn broer te kammen. Met dat borsteltje maakte ze de typische krul boven op mijn hoofd, die vroeger hoorde bij de schapenvelfoto.

Ik gebruikte het borsteltje voor onze eigen kinderen en daarna verzeilde het bij de poppenkleertjes. Zelfs bij de grote zolderopruiming heb ik het niet weggegooid. En kijk, nu komt het opnieuw van pas.

Want onze kleindochter gaat graag in bad als ze een dagje bij ons is. Ze spettert een hele tijd vrolijk rond, glijdt een paar keer roetsjend onderuit en moet dan gered worden. Ze sabbelt tevreden op een badeendje en huilt altijd een beetje als ze er weer uit moet. Maar als ze dan afgedroogd en aangekleed rechtop zit, maak ik haar blij met een sessie kammen met het borsteltje.

Ik zeg zachtjes ‘kam, kam, kam’, terwijl ik het borsteltje van op haar kruintje naar haar nekje en haar oortjes laat glijden. Haar haartjes liggen al gauw in de plooi, maar zij blijft doodstil zitten en knijpt haar ogen tot spleetjes. Ze glimlacht verrukt. Ik ga verder met kammen, telkens opnieuw van boven naar beneden, rondom haar hele bolletje. Ze sluit haar oogjes van genot. Het is een massage van haar hoofdje en ze geniet van elke haal. Pas als ik ophoud, wil ze zelf het borsteltje vasthouden en proeven.

Het is inmiddels een wekelijks ritueel. Haar ogen beginnen al te blinken als ik het borsteltje tevoorschijn haal. Ze zit kaarsrecht en houdt haar hoofdje recht. Met volledige focus laat ze het gebeuren, als een koningin die een langdurig applaus in ontvangst neemt.

Het borsteltje, meer dan 65 jaar oud, zorgt zo elke week opnieuw voor een klein gelukje. Bij kleindochter en bij haar oma.

Er zijn zoveel kleine gebaren die generaties met elkaar verbinden. Wiegen. Kammen. Een kusje geven. Knuffelen. Paardjerijden op een knie. Een kruisje op een voorhoofd, want ook God hoort er zo bij. Allemaal tekenen dat we elkaar dragen op de lange, korte weg van het leven. Voor altijd en nog verder.

Kolet

Op kamp

Kleinzoon is op kamp geweest met de Chiro. Zeven nachten elders slapen, dat is niet niks als je nog geen acht bent. Hij heeft er erg naar uitgekeken. Er is een doodeng nachtspel, dat vooral achteraf leuk is 😉 Er zijn ‘vuile spelletjes’ en alles is een avontuur. Het weer is niet onverdeeld goed, maar dat is het laatste van zijn zorgen.

De hele familie stuurt al voor hij weg is kaartjes, om zeker te zijn dat ze op tijd aankomen. Zelf heeft hij ook kaartjes bij, in enveloppen waarop zijn mama alvast de adressen heeft geschreven. Op dode momenten, als de heimwee een beetje de kop opsteekt, schrijft hij ze vol. Hij vertelt dat de spullen van de leiding nat zijn geworden. En dat ze ‘gewone brood’ hebben gegeten. Dat lijkt mij op het eerste gezicht niet iets om over naar huis te schrijven. Maar als ik even nadenk, besef ik dat hij ‘gewonnen brood’ bedoelt, dus toch wel een lekkernij. Hij tekent nog een paar mannetjes op het kaartje en sluit af met ‘dag oma en opa, groetjes van X’. Zijn meter bedankt hij voor het ‘hartelijk onvangen’ briefje en hij antwoordt achter elkaar op al haar vragen.

Als hij thuiskomt, met een tas vol vuile was die ook na een wasbeurt nog niet fris ruikt, lijkt hij gegroeid. Zijn armen zijn langer en gespierder dan ik me herinner. En zijn lach is zelfverzekerder. Met plezier naai ik de ‘kampbadge’ op zijn Chirohemd.

Dat Chirokamp zal een vaste waarde van elke volgende zomervakantie worden. Zijn hemd, dat nu nog ruim zit, zal te klein worden en vervangen worden door een groter exemplaar. Met plezier zal ik de oude badges eraf halen en op het nieuwe hemd naaien. Elk hemd zal voller staan dan het vorige. Zoals zijn leven alsmaar voller wordt. Dat is groeien.

Kolet

Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet

We zitten in het park even uit te puffen na een spannend spelletje pétanque. Opeens wijst kleinzoon naar de grond onder een struik. ‘Zit daar een spookje?’
Ik had de witte vlek ook al opgemerkt in de rand van mijn blikveld, maar hem automatisch gecatalogiseerd als zwerfvuil: een weggewaaide witte plastic zak, die onder de struik is blijven hangen.
‘Wie weet’, zeg ik. ‘Wat zou zo’n spookje daar wel doen?’
‘Misschien is het een zomerspookje dat zijn winterslaap doet’, bedenkt kleinzoon. ‘Dan moet hij uitkijken voor winterspookjes, want die zijn er nu veel.’
‘O ja?’ lach ik. ‘En doen die winterspookjes dan geen winterslaap?’
‘Natuurlijk niet’, zegt kleinzoon zeker van zijn stuk, ‘die doen alleen een zomerslaap.
‘En wanneer worden de winterspookjes afgelost door de zomerspookjes?’ vraag ik.
‘Op 21 maart natuurlijk’, zegt kleinzoon. Hij heeft net een project over de seizoenen achter de rug op school. ‘Maar soms vergissen ze zich een paar dagen en dan wordt het spannend.’

Hij knabbelt verder aan zijn rozijntjes en ik aan mijn appel.
Even bekruipt me de neiging om onder de struik te gaan checken wat dat witte ding precies is. Maar ik doe het niet.
Want het is veel te zalig om samen met kleinzoon te kijken naar iets wat er misschien niet is. Of misschien wel.

Kolet

Kampvuur in coronatijden

‘Het meest kostbare geschenk
dat we iemand kunnen geven
is onze aanwezigheid.”
(Thich Nhat Hanh)

Met ons gezin staan we uren rond het kampvuur, te gast bij een vriend. Het regent nu en dan. De kinderen lijken de kou niet te voelen. Ze zijn in de ban van het vuur en van het bos rondom ons. Ik besef hoe het vuur me troost, hoewel ik zelfs mijn verdriet vergeten was. Onze gesprekken gaan naar de kern. Het vuur inspireert me om opnieuw aan te sluiten bij goede gewoontes die ik heb laten verkommeren. Dat laatste is niet erg. Ik kan altijd opnieuw beginnen. Ik voel de drive om er te zijn voor de mensen rondom mij. Daarom ga ik eerst en vooral goed voor mezelf proberen te zorgen.
Bemin je naaste als jezelf!   

Ruth

Chrysanten voor het kerkhof

Geel? Bordeaux? Of zo een mix met verschillende kleuren? En zou het verstandig zijn om een pot te kiezen met veel knopjes die nog moeten openkomen, of moeten er nu al veel bloemen op staan…? Een grote pot of eerder een kleine? ‘Hmm… misschien toch maar een kleine’ denk ik, ‘papa en zus willen zelf vast ook nog iets op het graf zetten.’

Besluiteloos tuur ik tussen de potten chrysanten.  Het spreekwoordelijke ‘het bos door de bomen niet meer zien’ is nu eerder ‘de juiste pot in de bloemenzee’ niet vinden.

Ik zucht. Naast mij duikt een lotgenoot op. De dame in kwestie keurt de potten met kritische blik. ‘Niet gemakkelijk kiezen hé,’ zeg ik. De ogen boven haar mondmasker verraden een welwillende glimlach. ‘Nee, hoe meer keuze hoe moeilijker hé’, antwoordt ze me. ‘Mijn man hield van felle kleuren, ik denk dat ik zo een grote gele pot ga nemen.’ Ze stapt behoedzaam in de bloemenzee en neemt de uitverkoren pot vast. ‘Succes nog met kiezen’, knipoogt ze en haar gezicht is nog amper zichtbaar als ze met de gele bloemenbos richting de kassa verdwijnt.

Op zich een goede tip, denk ik bij mezelf. Wat zou mama zelf mooi gevonden hebben? Ik grinnik in mezelf. De potten voor Allerheiligen kopen, dat was vroeger een taakje dat zij voor de hele familie ter harte nam. Ieder jaar verliep volgens hetzelfde tafereel: mama belde de schoonzussen op om af te spreken (haar broers vertrouwde ze het hele zaakje niet toe): budget, kleur,… Vooral dat laatste was belangrijk. Een kakafonie van kleuren die niet bij elkaar pasten op het graf, dat kon toch niet. Even zorgvuldig en kieskeurig als ik hier nu stond, ging ze dan naar de bloemenwinkel om de mooiste potten uit te kiezen en die naar het kerkhof te brengen. Vervolgens werden de schoonzussen opnieuw opgebeld: ‘ze staan er, ga eens kijken of het goed is.’ Unanieme goedkeuring volgde steeds in de uren en dagen daarop. Mijn mama kon immers als geen ander bloempotten kiezen…

Ik heb er eigenlijk nooit het belang van ingezien, de telefoontjes en het hele gedoe met die potten chrysanten voor op het kerkhof. Maar nu ik hier zelf sta te kiezen voor mijn eigen mama, komt het besef van het belang ervan ineens keihard binnen.

Die chrysanten zijn niet gewoon ordinaire bloempotten. Ze staan symbool voor zoveel meer. Het zijn uitingen van de liefde die mensen nog voelen voor hun overledene. Elke pot chrysanten op het kerkhof, is een fleurig en liefdevol denken aan wie was, maar nu niet meer is. En elke pot die naar het kerkhof gedragen wordt, toont hoeveel sterker liefde is dan de dood. Terwijl ik hier sta te kiezen, voel ik me immers enorm verbonden met mama. Herinneringen aan haar dwarrelen rond in mijn hoofd. Ik voel gemis, maar ook een dankbare warmte diep vanbinnen. Het mooiste, alleen het mooiste is goed genoeg voor haar.

Wat zou mama zelf mooi gevonden hebben? Mijn oog valt op een platte schaal met weelderige zachtroze grote chrysanten. ‘Hebbes!’ denk ik. Deze wordt het. Ik begeef me naar de kassa en neem me voor om zodadelijk even naar mijn papa en zus te bellen. De kleuren een beetje afstemmen, weet je wel, het mag tenslotte geen kakafonie worden op haar graf.

Liesbeth

Berta

Berta is in de tachtig. Ze heeft een heleboel broers en zussen, acht kinderen en een hele hoop kleinkinderen en achterkleinkinderen. Hun namen kan ze niet allemaal meer onthouden maar het is haar familie, dus dat maakt niet uit.
Berta houdt van buiten zitten, van Vlaamse liedjes zingen, van een babbeltje en van eens goed lachen samen. Zij is een vrouw die niet gemakkelijk opgeeft of klaagt, vroeger niet en nu niet.
Gelovig is ze niet. Ik heb haar graag. Misschien schept vooral het zingen een band. Ik mis het nu het niet meer mag in coronatijden. Zingen zorgde vroeger voor vrolijkheid bij de mensen. Alleen en op mijn fiets zal ik het niet laten! Dan zing ik voor Berta en alle anderen.

Ruth

Verjaardag

‘Hey, vakie,’ hoor ik achter mijn rug roepen. Het is Naud van twaalf, die net klaar is met de voetbaltraining in de sportzaal, want de velden liggen er te nat bij. Hij heeft echte arendsogen. Ik zwaai van op een afstand en als een wervelwind gaat hij er met zijn fiets van door.
Het was nog een van die onbeperkte momenten, voor het gewone leven tot stilstand kwam. Want zwaaien voor of achter een raam zijn we nu al wel gewoon geworden. Het lijkt allemaal zo onwezenlijk, maar toch is het bittere ernst. En ook de kleinkinderen beseffen maar al te goed dat afstand belangrijk is, vooral voor ons, de risicogroep.
We hadden begin februari toch nog die mooie vormselviering van Marie kunnen meemaken. Met zeventien leeftijdgenoten hadden ze vijf jaar naar deze dag toegeleefd. ‘Ja, natuurlijk,’ was het motto van hun viering en dat vertelt heel wat over deze bewuste klimaatgeneratie.
Heel plechtig ook werd ze door haar broers Bran en Naud naar de vormheer begeleid. En ze was maar wat blij dat ze mee de communie mocht uitreiken. Het gezellige parochiefeest achteraf was één van de laatste onbezorgde hoogtepunten voor de coronatijd aanbrak.
Ondertussen zijn de kerken al lang gesloten. Soms word ik gevraagd om voor te gaan in een uitvaart, maar ook daar worden de voorwaarden strenger. Hoewel een viering met vijftien familieleden ook wel iets heel wezenlijks kan hebben.
Onze tuin vaart er wel bij, want nu is er een zee van tijd en ruimte om het voorjaar in alle rust zijn gang te laten gaan. En ook bij de kinderen kan ik alles een beetje in het oog houden: de asperges zijn er al en de aardappelen moeten dringend de grond in.
Vorig weekend was er dan de zeventiende verjaardag van Marie, ons oudste kleinkind. Met de fiets toch maar even langsgereden om te wuiven voor het raam. In de tuin vonden we wat ruimte voor koffie met taart. Geen feest dus. Ondertussen behelpen we ons twee keer per week via een zoom-conferentie met alle kinderen samen. Ook dat hebben we al onder de knie.

Jos

Maria moet mee

Zaterdagnamiddag heb ik een vaste afspraak. Ik pik mijn grootouders op en we rijden naar mijn ouders. Standaard is er koffie en vlaai. Oma strijkt, plooit was, schilt appels, als ze maar bezig kan zijn. Opa leest de krant, wandelt wat rond of zit gewoon gezellig mee aan de keukentafel. Ondertussen praten we over koetjes en kalfjes. Vaak zijn ook de achterkleinkinderen bij moeke en peke en speelt opa mee.

Zo ook op die zaterdag: mijn nichtje van 2,5 stapt vastberaden binnen, het plastic Mariabeeldje gevuld met Lourdeswater dat mijn ouders afgelopen zomer meebrachten. ‘Maria moet mee’, zo zei ze. Meer uitleg kwam er niet. Ze hield Maria de hele namiddag vast. Kinderen hebben niet veel woorden nodig.

Els

Iftarmee

We zijn uitgenodigd op de iftarmaaltijd, een maaltijd aan het einde van een ramadandag, in een gezin van Turkse origine. De familie is gastvrij en het eten is overvloedig en verrukkelijk.

Moussa is een tengere jongen van bijna twaalf. Zijn mama vertelt vol trots dat hij voor het eerst met de ramadan meedoet. ‘Opeens vindt hij alles lekker’, lacht ze, ‘terwijl hij normaal bijna niets lust.’ Wij lachen mee, want dat herkennen we. Honger is de beste saus, zei mijn oma altijd.

De twee broertjes van vier en zes oefenen ook al een beetje ramadan. Niets eten na schooltijd tot aan de iftar om halftien bijvoorbeeld. Met een centje van papa of mama om het vol te houden, lukt dat best. ‘Ik koop jouw vasten’, heet zoiets. Niet gekker dan als wij onze kinderen een ijsje of wat chips beloven als ze flink hun speelgoed hebben opgeruimd.

Ouders zijn ouders, welke overtuiging ze ook hebben. Ze proberen hun kinderen mee te nemen op de weg die ze zelf goed en zinvol vinden. Met kleine stapjes en aanmoedigingen. Ook al verschilt de manier waarop, de basis blijft hetzelfde.

Kolet

Beiaard

‘Neen, ik vind het heel saai,’ zegt Bran van 12 met veel overtuiging. Wij zitten met de kleinkinderen op het grote Kerkplein, want tijdens deze nocturne wordt voor het eerst de nieuwe beiaard ingespeeld. Ruim twee jaar heeft het proces geduurd van sponsors zoeken en crowdfunding. De barokke klokkenkamer stond ongeveer 350 jaar leeg.

‘Nog even geduld, Bran. Als het donker wordt, gaat het spektakel beginnen.’ En inderdaad, zo rond negen uur schuift een luchtacrobaat over een koord van de school naar de kerktoren. Nu zijn de kinderen wel geïnteresseerd. Dit is het begin van een wervelende klank- en lichtshow.

Is een beiaard wel iets voor een gewone gemeente? In feite betekent het gratis muziek voor iedereen. En de band met het verleden en de toekomst wordt op die manier in een dorpsgemeenschap nauwer aangehaald. Vandaag kunnen wij voltooien waar onze voorouders mogelijk van droomden. En onze kinderen zullen straks de kans hebben om beiaard te leren spelen, een typisch Vlaams instrument en werelderfgoed.

Het plein ziet grijs van het volk. Als vrijwilliger van het Davidsfonds – want wij hebben als vereniging ook een klokje gesponsord – help ik een handje in de Duvelbar. Zo mis ik wel iets van de toespraken en van de steltenlopers. Maar de eerste beiaardklanken weten velen te ontroeren. En ook de gemeentebeiaardier – een blinde jongeman – wordt op een groot scherm voorgesteld. Hij zal zijn weg naar de torenkamer nog behoedzaam moeten zoeken.

Het is merkwaardig hoe deze hemelse muziek de mensen bij elkaar kan brengen. Voortaan zal er ook tijdens de markt een uurtje beiaardmuziek weerklinken. En in de zomer wordt een aantal concerten voorzien. Het is nog wat zoeken naar het beste plekje om te luisteren, want ook de windrichting speelt aardig mee.

De avond wordt afgesloten met een laserspektakel waarbij de kerktoren in prachtige kleuren gevat wordt. En uiteindelijk geven de kinderen grif toe dat deze feestelijke happening hun nog vele jaren zal bijblijven.

Jos