India

‘Jullie hebben wel veel spullen uit India’, merkt kleinzoon op.
Hij heeft gelijk. Er ligt een loper op tafel, er staat een doosje op de kast en nog een beeldje op de vensterbank.
‘Wij zijn een paar keer in India geweest’, leg ik uit. ‘Het is een heel mooi land. Jouw papa en mama zijn er trouwens ook geweest, nog voordat jij er was.’
Hij knikt. Ook hij heeft al vaak de verhalen gehoord en de foto’s gezien.
‘Ik weet nog hoe fijn het daar was. Zelfs toen ik in de buik zat, heb ik dat al gevoeld’, vertelt hij.
Ik schiet in de lach. Zijn ouders waren in India al jaren voordat er van hem sprake was.
‘Je bent niet langer dan negen maanden in de buik, hoor’, zeg ik.
Maar hij weigert toe te geven. En wie ben ik om hem tegen te spreken?
Als je iets maar vaak genoeg hoort vertellen, is het op de duur toch net alsof je er zelf bij bent geweest?
En wie kan zich echt voorstellen dat er een tijd was toen je er helemaal nog niet was? Waarom zou je dan niet als een piepkleine kiem alvast in de buik van je mama wonen?
In het verlangen van zijn ouders en in onze hoop op kleinkinderen ooit, was hij er hoe dan ook toen ook al bij.
Kleinzoon heeft gelijk, zoals bijna altijd.

Kolet

Toekomst

‘Het leven is zo voorbij’, zegt iemand van 93 jaar, ‘hoe ouder je bent, hoe rapper het gaat.’ Dat is waar. Maar ik ben niet akkoord. Ik wil op pauze kunnen drukken. Stoppen. Vertragen. Focussen. Mediteren. Ademen. Luisteren. Stil zijn.
Als ik denk aan mijn woelige gedachten en bijbehorende chaotische gevoelens, weet ik dat ik nog heel veel moet leren. En er is haast bij. Het paradoxale is dat ik een professionalin-stilte wil zijn voordat ik oud ben. Ik wil graag dat iedereen later over mij zegt: ‘zij straalt zo’n vrede uit en ze klaagt nooit’.
Terwijl ik het schrijf, vind ik het zelf een goede grap. Ik heb geen vat op mijn verleden of op mijn toekomst. Laat ik me nu maar eerst focussen op de afwas.

Ruth     

Dood en begraven

‘Tegen die tijd kan ik al lang dood en begraven zijn’, zegt mijn moeder al jaren met de regelmaat van een klok. Meestal als wij proberen iets ruimschoots van tevoren te plannen. Onze agenda’s zijn al lang veel voller dan de hare.

Wij zuchten dan altijd, een beetje geërgerd. Met die letterlijke dooddoener snoert ze ons de mond. Maakt ze duidelijk dat niet iedereen zich aan onze afsprakenlijstjes zal houden. Wil ze misschien zelfs dat we op elk moment tijd voor haar kunnen vrijmaken in onze agenda.

Wij vonden dat tot voor kort volledig misplaatst. Er kan natuurlijk altijd iets misgaan, maar daar kun je in het normale leven geen rekening mee houden, toch? Je moet de toekomst toch gewoon plannen?

Maar de laatste tijd betrappen we er onszelf op dat we ook wat voorzichtiger worden. Wat doen we met het familiefeest op Nieuwjaar, nu mijn vader niet meer mobiel is? En hoe gaan we hun 65-jarige trouwfeest vieren over een maand? De uitspraak van mijn moeder zindert in ons hoofd. Ooit zal ze gelijk krijgen. Ze heeft er nu al plezier van.

‘Als het God belieft’, zegden mensen vroeger wel eens. Ik geloof niet in een God die aan de touwtjes trekt. Die uitkiest wie hij wanneer en hoe laat sneuvelen. Maar de uitspraak drukt iets uit van hoe wat komen zal, niet in echt onze macht ligt. We moeten koesteren wat er is en openstaan voor wat kan. Misschien er wat minder van uitgaan dat we nog recht hebben op…

Mensenlevens zijn kwetsbaar. Maar juist daardoor ook waardevol. Zelfs daarin zijn we beeld van God.

Kolet

 

Blazen

Wanneer de  jongste de kerk binnenkomt is er maar één ding dat hij wil: blazen. Hij weet dat hij ná de viering met zijn zus alle kaarsen mag uitblazen, maar wat kan een viering lang duren voor een 2-jarige. Hij blijft het dus maar herhalen: blazen, blazen, blazen,… De ene keer al wat luider dan de andere keer.
Maar dan is het eindelijk zover. Pretlichtjes in de ogen. Blijheid die enkel bij een kind zó ontwapenend kan zijn. Feest. Tijd om de kaarsen uit te blazen met als klap op de vuurpijl de hoge Paaskaars. Vol verwachting en spanning uitkijken naar zoiets simpels als het uitblazen van wat kaarsen. Gelukkig zijn met kleine dingen, verwachtingsvol uitkijken, héérlijk denk ik …

Lies

Parels

We zijn vertrekkensklaar. De auto is volgestouwd met spullen om met z’n vijven twee weken in Denemarken te vertoeven. Knuffels, spinners, 3 favoriete zwempakjes waartussen niet te kiezen valt en andere hebbedingetjes hebben hun plaats opgeëist in de koffer. Multimedia en talloze kabeltjes worden er tussen gepropt.

Ik zucht even en moet denken aan het verhaal van de kostbare parel dat Jezus vertelde. Een koopman verzamelde zijn leven lang allerlei spullen. Hij had een huis met 5 verdiepingen en at elke dag frietjes met priklimonade, vertelt de kinderbijbel. Tot hij ontdekte hoe kostbaar die ene parel wel was. Hij verkocht alles om die ene parel te mogen hebben. Hij was dolgelukkig.

Met een auto vol ballast voel ik me een beetje zoals die koopman. Hopelijk kunnen we op reis overboord gooien wat overbodig is en mag ik er ontdekken wie of wat mijn kostbare parels zijn. Om zo uit te komen bij wat ons verbindt, bij de grond waarop we staan.

Vroeger kostte mij dat minder moeite. Door mijn hoofd flitsen nostalgische herinneringen aan vakanties met een rugzak en een minimum aan spullen. In gedachten trek in mijn bergschoenen aan, eet ik bessen aan de rand van de weg en zie ik wel wat de dag brengt. Ontdaan van vele materiële dingen kom ik pas ten diepste tot rust. “Heilzaam”, vind ik.
“Ascetisch”, vinden de kinderen.

Een “zijn we nu weg?” brengt me weer bij de realiteit. De realiteit waarbij we onze uiteenlopende vakantiewensen bij elkaar proberen te brengen tot een mooi compromis. We zullen elk onze parel wel vinden. Elk op zijn manier. Met of zonder bergschoenen.

Sylvie

Facebook

Als je een dochter van 13, bijna 14 hebt, kan het gebeuren dat je haar ’s morgens tegenkomt op de trap – stralend als de zon zelf, en tien minuten later, aan de ontbijttafel is alle vrolijkheid verdwenen. Lusteloos roert ze in die ‘vieze’ cornflakes, reageert kattig op een opmerking van grote broer en moppert dat haar lievelingsshampoo in de badkamer op is.
Het duurde even voor ik doorhad wat de oorzaak is van die plotse verandering.
Er is natuurlijk de hormonale roetsjbaan van de puberteit, maar het duwtje dat gegeven wordt, holderdebolder naar beneden, komt vaak vanuit het schermpje van haar gsm.  ‘Facebook’.

Ja, Facebook, dat gezellig dorpsplein, waar je mensen ontmoet die je al lang niet meer gezien had. In plaats van je leven te delen met een paar kennissen, vrienden en familieleden kan dat dankzij Facebook met honderden mensen. Prachtig toch?
Soms is Facebook echter ‘fake-book’. Een digitale receptie waar mensen arriveren in hun mooiste kleren en met hun sterkste verhalen.
Dan wordt Facebook een opsomming van fantastische feestjes waar jij niet bij was, romantische dates waar jij enkel van kunt dromen, sportprestaties die pijn doen in al jouw botten, gewoon door ernaar te kijken, en selfies waar jij nooit op zult lijken, nog niet met de beste fotoshopping.

En dan is er opeens die gedachte, die als je niet oplet, alles gaat overheersen.
Ik ben niet genoeg.
Niet grappig genoeg, niet spannend genoeg, niet hip genoeg, niet mooi genoeg.
Alle sociale media knikken instemmend. Dat klopt, zeggen ze, kijk maar om je heen, naar al die prachtige beelden en verhalen. Je bent duidelijk niet genoeg, daarom houden de mensen niet van je. Hoeveel “likes” krijg je trouwens op jouw berichten?

Het is een leugen, lieve meid. Geloof het niet.
De liefde volgt een andere logica. De liefde draait het om. De liefde zegt:
Je bent geliefd, en dààrom ben je meer dan genoeg.
Je was al geliefd van voor je geboren bent, je bent geschapen in liefde, gebaard in liefde, opgegroeid in liefde. En daarom ben je meer dan genoeg, en zul je dat ook altijd zijn.

‘Er is aardbeienyoghurt’, glimlach ik. ‘Heb je daar zin in?’
Ze aarzelt even, glimlacht dan terug. Een stroompje liefde, zomaar heen en terug over die rommelige ontbijttafel.
De perfecte gezichten van Facebook vervagen. Plots is het weer genoeg. Plots zijn wij weer genoeg. En zij is weer genoeg. Meer dan genoeg.

Katie

Nieuw leven

Pasen betekent nieuw leven. Dat mochten we de afgelopen weken op diverse manieren ervaren. Vooreerst letterlijk. Een collega beviel van een zoon en een nicht liet weten dat ze, na vijf moeilijke jaren, opnieuw zwanger was.  „Fingers crossed”, stond er in haar sms. Duimen zullen we inderdaad.   Als dat geen goed nieuws is…

Ook figuurlijk was er ‘nieuw leven’. Na ruim anderhalf jaar geduldig, en soms ook ongeduldig, wachten, kregen we net vóór Pasen telefoon dat de verkoop van een extra stukje grond bij de tuin eindelijk kon doorgaan. Diezelfde dag belde de tuinman op dat hij de werken weldra zou aanvatten. Op minder dan een week onderging de tuin al grote veranderingen. Plannen worden werkelijkheid en stilaan beginnen we te dromen van gezellige  zomeravonden op ons nieuwe terras. Met de werken in de tuin mochten we de afgelopen dagen ook binnenshuis ‘nieuw leven’ verwelkomen. Mieren en andere insecten vinden vlot hun weg, maar die ongemakken nemen we er nu even bij.

Inmiddels mocht onze zoon voor het eerst kennismaken met het eerste leerjaar en ontvingen we nu al bericht met de datum van de eerste communie volgend schooljaar.

Vele vormen van ‘nieuwe leven’ die we met open armen verwelkomen en die ons sterken in het vertrouwen dat ‘alles goed komt’, of misschien beter dat ‘alles goed is zoals het is’, ook als dingen niet lopen zoals wij ze dromen, wensen en verlangen. Dat te kunnen aanvaarden, is een zegen en schenkt nieuw leven, telkens opnieuw. Volgend jaar een eerste communiefeest in onze eigen, afgewerkte tuin? Als ’t God belieft…, maar dromen mag altijd.

Liselotte

De langste maand van het jaar

Een verwittigde vrouw is er drie waard, zegt het spreekwoord. Waarom trap ik dan elk jaar opnieuw in dezelfde valkuil? De tijd voor en rond Kerstmis loopt over van gezelligheid. Glühwein, kaarslicht, overbekende muziekjes, samenzijn met familie en vrienden, het kan niet op. Maar begin januari gaat alles opeens zonder pardon ‘back to normal’. Niet dat ik zou willen dat het eeuwig Kerstmis was, maar de overgang is toch wel erg groot. Opeens is het gewoon donker en koud, zonder enig feest in het vooruitzicht, behalve een obligate nieuwjaarsreceptie. En het blijft nog wekenlang donker en koud, want de winter is eigenlijk nog maar net begonnen. Wie  heeft er ooit bedacht dat Nieuwjaar in het putje van de winter moet vallen? Nieuw leven komt er toch pas in de lente: dan begint het nieuwe jaar voor mij pas echt. Tot die tijd is het overwinteren en eerst en vooral januari zien door te komen, steevast de langste maand van het jaar.

Met veel geduld zal het wel weer lukken. En met elke dag minstens één portie menselijke warmte als remedie tegen de kou. Warme mensen zijn er gelukkig ook in januari. Een wildvreemde man die een handje toesteekt als ik aan de kassa van de supermarkt handen tekort kom. Een buurvrouw om lief en leed mee te delen. En de stralende lach van een kleinzoon, die zonder woorden zegt: ik ben gelukkig als ik je zie. Op die manier overleef ik zelfs januari.

Kolet

Nesteldrang

Grote veranderingen in het leven gaan vaak gepaard met een nieuwe kijk op de dingen om je heen. Mijn zoon loopt al zijn hele leven door het huis zonder veel van onze inboedel zelfs maar op te merken. Hij drapeert zichzelf regelmatig op de zitbank als een volleerde octopus, maar als je hem vraagt naar de kleur van de kussens, zal hij wellicht het antwoord schuldig blijven. Hij verorbert aanzienlijke porties voedsel zonder achteraf zelfs maar te weten wat hij gegeten heeft. De meubels en toestellen in ons huis zijn voor hem niet meer dan achtergronddecoratie.

Tot voor kort tenminste. Want sinds enkele weken stelt hij een nieuwe soort vragen. ‘Hadden wij vroeger niet zo’n blauw servies?’ ‘Staat dat ijskastje nog in de kelder?’ ‘Hoe maak je eigenlijk die kaassaus?’ ‘Gebruik je die oude magnetron nog?’

Ik glimlach, want ik weet wat het betekent. Maar ik zwijg, want het is niet aan mij om in één of andere richting te pushen. De zoon heeft al jarenlang een vriendin. En nu krijgen ze opeens nesteldrang. En dat nest moet gevuld worden met spullen.

‘Die moet je niet wegdoen!’ zegt de zoon gedecideerd als ik met spijt naar mijn oude kookpannen kijk, die op mijn nieuwe vuur niet meer bruikbaar zijn. Ik knik, zonder zelfs maar een lachje. Langs mijn neus weg zeg ik dat er op zolder nog gordijnen liggen. Hij hoort het allemaal en maakt in gedachten de inventaris.

Zo begint het. Een nieuw nest voor de tortelduifjes. Zo gaat het leven verder, altijd opnieuw.

Kolet

Wat wil je later worden?

“Wat wil je later worden?” is een vraag die ik zelf wel eens uit interesse stel. Omdat ik nieuwsgierig ben naar de dromen van mijn kinderen en van mijn nichtjes en neefjes. Omdat ik al zo graag in de toekomst kijk en wil weten waar hun interesses liggen, hoe ze zichzelf zien en hoe ze naar het leven kijken. Alsof ik hen hierdoor beter zou leren kennen, hun talenten beter zou zien en waarderen, en hen ‘een duwtje in de goede richting’ zou kunnen geven.
Telkens wanneer ik me erop betrap dat ik de vraag gesteld heb – zoals afgelopen zondag op het familiefeest – neem ik me voor ze niet meer te stellen. Omdat kinderen nu al waardevol zijn zoals ze zijn, en niet om wie of wat ze later zullen worden. En omdat ik telkens weer moet denken aan dat mooie versje van Toon Hermans:

‘Wat wil je worden, vroeg de juf,
’t was in de derde klas
ik keek haar aan en wist het niet
‘k dacht dat ik al iets was.’

Jo